| 1 |
 |
“...VI
VOORWOORD.
opgeofferd; heb ik mij losgerukt van hen, die
mij het leven drageljk maakten; heb ik in
stilte nameloos Ij'den verduurd. — Ik zweeg,
sedert ik. bespeurde, dat de Minister alver-
mogend en voor geen hooger gevoel vatbaar
was dan dat, hetwelk de gedachte van zjn
gezag te hebben gehandhaafd, aan mediocre
wezens inboezemt, — ik zweeg, dewjl eigen
leed bj dat van zoo velen, welke onder de
roede zuchtten, slechts weinig bj mj in aan-
merking komt — Ik zoek noch eenen naam te
maken, noch deelneming op te wekken. — Se-
dert kort echter, is veel veranderd. — De re-
gering, de natie is eenigermate uit haren doo-
deljken slaap ontwaakt. — De Minister, die
welligt zonder het te begrjpen, de verderfeljkste
magt uitoefende, en geljk de Grenvilles en de
norths de koloniën slechts als wingewesten en
hulpbronnen van de kroon beschouwde, is af-
getreden; — er bestaat eenige grond, om aan
te nemen, dat de tjd daar is, waarin schrj-
ven pligt, en zwjgen onvergeefljk...”
|
|
| 2 |
 |
“... zoo vrijgevige instellingen werden
van dien tijd af aan van lieverlede gewijzigd en
veranderd, tot er weldra niets van was overgebleven
en de regten der bevolking plaats hadden gemaakt
voor het oppermagtig gezag van een omslagtig en
hoogst kostbaar plaatselijk bestuur in de meeste
der hier bedoelde koloniën. — Het was niet, dat
het nederzetten in de koloniën, het handeldrijven,
het ontginnen van gronden, het uitoefenen van
nering en hantering door wettelijke bepalingen
werd geregeld; neen! het werd tot eene gunst ge-
maakt , afhankelijk van het goedvinden van den...”
|
|
| 3 |
 |
“...19
Gouverneur en als zoodanig toegestaan óf gewei-
gerd. — Dit voerde tot afpersingen, knevelarijen
en onderdrukking; — plagen, welke zicli langzaam
maar diep ingrijpend over de geheele bevolking
uitbreidden, en welke men door naauwlettende zorg
en behoedzame geslepenheid zonder groot gevaar
in stand wist te houden, en zelfs, in het ergste
geval, wanneer de verongelijkte zich aan den Mi-
nister wendde, wierp deze zijn gezag in de schaal,
om de waardigheid van het bestuur te handhaven.
Wat was het gevolg? Alle ondernemingsgeest ver-
dween, men werd moedeloos, de koloniën verarm-
den bij den dag, en elk, die nog iets bezat en
het te geld kon maken, begaf zich elders h?en,
waar hij gelegenheid vond, zijne eerlijke ontwer-
pen van handel of landbouw ongemoeid ten uit-
voer te leggen. Van waar het Gouvernement zijne
gronden ontleende, om onder eenen regerings-
vorm zoodanig als het destijds instelde de koloniën
te doen bloeijen, is den hemel bekend. Genoeg,
men...”
|
|
| 4 |
 |
“...27
welk het genot van vrije instellingen op een volk
te weeg brengt, te waardeeren, tevens vrij van
eigenbaat was, om aan mijne vertogen eenige aan-
dacht te wijden. — De onverschilligen verdedigen
zich met te wijzen op de geringe waarde van de
eilanden en zeggen: » zij zijn de moeite, de on-
aangenaamheden niet waard enz.;” de brave oor-
deelkundigen erkennen het nut en de gepastheid
van den maatregel, doch meenen, er bestaat eene
onoverkomelijke hinderpaal tegen het verleenen van
een’ vertegenwoordigenden regeringsvorm in die
koloniën in de vrees, dat bij het toestaan daarvan
men spoedig hetzelfde voorregt ook voor de Neder-
landsche Oost-Indiën zou gaan verlangen; — de
ambtenaren eindelijk, zien in het toestaan van
vrije instellingen als een eerste gevolg het verlies
hunner posten, en maken van elk argument, dat
hun voorkomt, gebruik, om zulks te verhinderen.
Het zij mij thans vergund, de verschillende
redeneringen van deze in de hoofdpunten vlugtig
te...”
|
|
| 5 |
 |
“...33
digen moet; — men zou veel meer kunnen aan-
voeren , doch niets, dat tot een beter begrip van
het belang der kolonie zou kunnen leiden; — an-
ders gezegd: men zou, zoo doende, zijne zwakke
zijde blootgeven en daarom acht men het beter
te zwijgen, en eene verandering, waartoe men,
dewijl zijn tijd tot verkrijging van vol pensioen
nog niet daar is, de hooge noodzakelijkheid althans
voor als nog niet inziet, over te laten aan het
wijs en verlicht oordeel van den Minister baud,
die gezworen heeft zijne creaturen te zullen hand-
haven, al zouden de koloniën tot aan de laatste
toe, verloren gaan. Dit zijn dezelfde mannen, die
om tastbare redenen, de leer willen vestigen, dat
doode beambten bewonderd en levenden gespaard
moeten worden; — die den roem van een onbespro-
ken gedrag willen toekennen aan een’ hunner voor-
gangers wiens vuige geldzucht reeds tijdens zijn
leven spreekwoordelijk was (1); — die benoemd
om koloniën te besturen , zich niet ontzien voor
het oog...”
|
|