| 1 |
 |
“...en Senaat; zij is direct aan de grondwet ontleend en in zekeren zin, althans voor
interne aangelegenheden, onbeperkt.
Vóór de totstandkoming van het Westminster statute (1931/26), bestonden er
althans formeel nog verschillende controlebevoegdheden van het moederland, die
de onafhankelijkheid belemmeren of konden belemmeren en door de Unie niet
eigenmachtig konden worden afgeschaft. In de eerste plaats had het Britsche Par-
lement de macht wetten uit te geven, die uitdrukkelijk ook op de koloniën van
toepassing waren, zoogenaamde „imperial laws”, waarvoor de koloniale of domi-
niale wetgeving had te wijken. Formeel kon daarom het Britsche Parlement elke
Unie-aangelegenheid als van imperiaal belang zelf gaan regelen, wat het niet
deed. In de practijk nam bovendien Westminster slechts imperiale wetten aan,
wanneer zij zeker was van de instemming der betrokken koloniën.
Elke Uniewet, die zich niet verdroeg met de wetgeving van het United Kingdom
— het ongeschreven recht...”
|
|
| 2 |
 |
“...Kroon jaarlijks een bijdrage voor ’s Konings civiele lijst zou voteeren en dat de
Parlementsleden een eed van trouw aan Grondwet en Verdrag en van erkenning
van den Koning als Hoofd van de Geassocieerde Staten l) zouden afleggen.
Maar dat alles raakte voor de Engelschen de kern der quaestie niet. Ierland bleef
toch volgens deze voorstellen een afzonderlijke staat buiten het Rijk. Op alle
andere punten (defensie, handel, zelfs verdeeling van Ierland) was nog wel een
compromis mogelijk geweest, maar deze quaestiè deed de onderhandelingen
afbreken. Toen op 4 December een der Iersche afgevaardigden zeide:
„We should be as closely associated with you in all large matters as the Domi-
nions, and in the matter of Defence still more; but our difficulty is coming into
the Empire”, sprongen alle Engelschen tegelijk op en verklaarden de Conferentie
beëindigd.
Niettemin halen zij den volgenden dag de Ieren over, terug te komen. Weer wordt
hun een ontwerp-verdrag voorgelegd, waarin...”
|
|