| 1 |
 |
“... concurrentie ontstond meer belangstelling voor concentratie van alle
Engelsche krachten. Dilke en Carlyle bepleitten op ideëele gronden de noodzakelijk-
heid van een machtig Britsch rijk. Seeley (1883) achtte een Britsche rijksfederatie
het aangewezen doel der ontwikkeling; ter bevordering hiervan werd de Imperial
Federation League gesticht (1884). Sommigen wenschten een federaal Parlement,
staande boven de parlementen van koloniën en moederland; anderen waren voor
een aanvulling van het Britsche parlement met koloniale vertegenwoordigers; nog
anderen wilden volstaan met de instelling van adviescolleges, die de moederlandsche
regeering zouden kunnen voorlichten in koloniale zaken; een vierde groep legde
alleen den nadruk op versterking van de commercieele en militaire banden tusschen
de deelen van het Empire en liet het constitutioneele vraagstuk in het midden. Een
in 1893 aan het Kabinet-Gladstone door de League voorgelegd plan van rijks-
organisatie werd echter afgewezen. Daarna...”
|
|
| 2 |
 |
“... moesten
worden geacht. Ook in 1902 won de coöperatieleuze het van de federatieve.
De conferentie van 1907 gaf vasteren vorm aan het intra-imperiale óverleg door
een uitspraak voor het periodiek beleggen van conferenties om de 4 jaar en voor
de instelling van een permanent secretariaat, welks taak zou worden opgedragen
aan het Britsche ministerie van koloniën (sinds 1908 met een afdeeling voor
dominiale zaken). Een andere resolutie sprak zich uit voor de toekenning van
den naam „Dominions” aan alle zelfregeerende koloniën, waardoor deze duidelijk
onderscheiden werden van de Kroonkoloniën zonder verantwoordelijk bewind.
Voorts werd besloten, dat de conferentie voortaan zou heeten „Imperial Confe-
rence”, Rijkscónferentie; zij zou in het vervolg worden voorgezeten niet door den
Britschen Minister van Koloniën, doch door den Britschen Eersten Minister.
In de conferentie van 1911 stelde N. Zeeland voor, een federale grondwet voor
het Britsche Rijk vast te stellen; er zouden een...”
|
|
| 3 |
 |
“...In den loop van 1916 was in Engeland het regeeringsgezag geconcentreerd bij
5 personen, vormende het oorlogskabinet. Vervolgens werden de premiers der
Dominions uitgenoodigd hierin zitting te nemen; India zou zijn vertegenwoordigd
door den staatssecretaris voor India en een Maharadja; het kabinet zou hierdoor
uitgroeien tot een „Imperial War Cabinet”. In de jaren 1917 en I91^ ;s dit
Imperiale Oorlogskabinet enkele maanden bijeengeweest en ten slotte overgegaan
in de delegatie van het Britsche Rijk bij de onderhandelingen, die geleid hebben
tot het vredesverdrag van Versailles. Intusschen had ook een Imperiale Oorlogs-
conferentie plaats gehad (1917). Hier werd uitgesproken, dat de staatsrechtelijke
betrekkingen tusschen de deelen van het Britsche Rijk moesten worden herzien
in een speciale rijksconferentie, na beëindiging van den oorlog bijeen te roepen.
Naast de waarborging van de bestaande zelfregeering der Dominions en van hun
volstrekt zeggenschap over eigen...”
|
|
| 4 |
 |
“...(art. io Volkenbondsverdrag); toen het in 1922 en 1923 medewerking in de
Turksche kwestie weigerde; toen het zich in 1924 kantte tegen het Protocol van
Genève. In 1925 werd in het Rijnpact van Locarno uitdrukkelijk bepaald, dat
hieruit geen verplichtingen zouden voortvloeien voor de Dominions of voor India,
tenzij deze gebieden zelf die verplichtingen op zich namen. Als diplomatieke
eenheid geraakte het Britsche Rijk dus meer en meer uiteen.
De Rijksconferentie van 1923 ging er in haar besluiten van uit, dat de Dominions
een eigen verdragsrecht bezitten.
Wat betreft de binnenrijksche betrekkingen (inter-imperial relations), daarover
bleek verschil van meening te bestaan. Ierland verwierf in 1921 na den Ierschen
opstand den status van Dominion krachtens het Anglo-Iersche „verdrag” van dat
jaar. *) • " ,
De Iersche Regeering liet dit laatste verdrag te Genève inschrijven als een inter-
nationaal verdrag op den voet van art. 18 van het Volkenbondsverdrag. De Britsche...”
|
|
| 5 |
 |
“...
verstrekken aan Indiërs of maatschappijen met Indisch kapitaal werkend; men
wil dezen een goede kans geven effectief te concurreeren met grootere en langer
gevestigde zaken onder Britsche leiding en Britsch kapitaal. Anderen voerden
*) De overige Mohammedanen stemden in.
*) A. B. Keith. Letters on imperial relations, Indian reform, constitutional and international law
1935, blz. 234 e.v.
Il6...”
|
|
| 6 |
 |
“... belangen. Het eene sluit in vertrouwen, het andere
*) Doch niet: hun tonnage.
2) De wet spreekt van „similarity of treatment”, dat, gelijk Keith opmerkt niet hetzelfde is als „equality
of treatment”, zie Letters on Imperial relations enz. blz. 220—221....”
|
|