Your search within this document for 'anglo' resulted in 15 matching pages.
1

“...(art. io Volkenbondsverdrag); toen het in 1922 en 1923 medewerking in de Turksche kwestie weigerde; toen het zich in 1924 kantte tegen het Protocol van Genève. In 1925 werd in het Rijnpact van Locarno uitdrukkelijk bepaald, dat hieruit geen verplichtingen zouden voortvloeien voor de Dominions of voor India, tenzij deze gebieden zelf die verplichtingen op zich namen. Als diplomatieke eenheid geraakte het Britsche Rijk dus meer en meer uiteen. De Rijksconferentie van 1923 ging er in haar besluiten van uit, dat de Dominions een eigen verdragsrecht bezitten. Wat betreft de binnenrijksche betrekkingen (inter-imperial relations), daarover bleek verschil van meening te bestaan. Ierland verwierf in 1921 na den Ierschen opstand den status van Dominion krachtens het Anglo-Iersche „verdrag” van dat jaar. *) • " , De Iersche Regeering liet dit laatste verdrag te Genève inschrijven als een inter- nationaal verdrag op den voet van art. 18 van het Volkenbondsverdrag. De Britsche...”
2

“... voorschreef. Op de Ronde Tafel 'Conferentie komt het evenmin tot een compromis. De minderheden spannen samen; in een gezamenlijk onderteekende nota van de vertegenwoordigers der Mohammedanen, de zg. „Depressed Classes” (in hoofdzaak de laagste kasten der Untouchables, de Onaan- raakbaren), een deel der Indische ChristenenJ),_ de Anglo-Indians (Indo-Europea- nen) en de Europeanen kanten zij zich tegen de „joint electorates”, de ongesplitste 1) De wet van 1892 kende officieel geen verkiezingen maar „aanbevelingen” van allerlei gemeen- schappen. 2) Lang niet alle Indische Christenen zijn voor „separate electorates”. 98...”
3

“..., die dan hun bij de wet vast- gestelde aantal vertegenwoordigers in de verschillende provinciale raden zouden kiezen. Dié groepen waren: de Mohammedanen, Sikhs, Indische Christenen, Anglo-Indians (Indo-Europeanen) en ook de „Depressed Classes”. Deze laatsten zouden echter ook mee mogen kiezen in het algemeene kiezerscorps („general constituency”), dat grootendeels uit Hindoe’s en verder uit allerlei kiezers, die niet tot de minderheden behooren, zou bestaan; deze regeling zou echter voor 20 jaar gelden. Voorts zouden ook belangengroepen als Arbeidersvereenigingen, Handel- en Nijver- heid, mijnbedrijven, landbouwondernemingen, grootgrondbezitters (landholders) en universiteiten hun eigen vertegenwoordigers kiezen. Deze „communal decision” bracht groote opschudding in India, maar ook onder de afgevaardigden van de Ronde Tafel Conferentie, voornamelijk de vertegen- woordigers van Hindoe’s en Sikhs van Pandjab, die zich tekort gedaan voelden. Op den i8én Augustus 1932, een dag...”
4

“... zouden de rapporteurs liever benoemd zien. De wetgever ging veel verder, stelde ook afzonderlijke kiescorpsen in voor Indische Christenen, Anglo-Indians, Europeanen; zelfs werden voor de niet-Brahmanen in Madras en voor de Mahratta’s in Bombay nog een bepaald aantal zetels gereserveerd, die echter door het algemeene kiezers- corps bezet zouden worden. Typisch is, dat de Commissie Simon als definitie van communal representation geeft een vertegenwoordiging van een religieuze gemeenschap middels door die gemeenschap gekozen leden voor een bepaald aantal voorgeschreven zetels. Zij vindt deze vertegenwoordiging van godsdienstige gemeenschappen „an undoubted obstacle in the way of growth of a sense of common citizenship” (ongetwijfeld een obstakel op den weg, die naar een algemeen nationaal gevoel moet leiden). De Commissie meent echter evenals het tweemanschap Montagu-Chelmsford met de nuchtere feiten rekening te moeten houden. Maar wederom heeft blijkbaar ook deze Commissie geen...”
5

“... Christenen wonen) bedroeg in 1941 ongeveer 3I millióén zielen, d.i. ongeveer 1 pet. van de totale bevolking. Hun totaal aantal zetels in de „Legislative assemblies” bedraagt 20 op een totaal-generaal van 1585 d.i. ruim 1 pet. Voor de Anglo-Indians en Europeanen moge naar de volgende paragraaf verwezen worden. De bovengenoemde cijfers hebben betrekking op zetels in de „legislative assemblies” (wetgevende raden). In zes provinciën, Madras, Bombay, Vereenigde Provinciën, Bengalen, Bihar en Assam zijn naast deze „Lagerhuizen’’ zg. „legislative councils” (Hoogerhuizen) ingesteld. Van de minderheden kiezen alleen de Mohammedanen, Europeanen en de Indische Christenen (alleen in Madras) hun vertegenwoordigers in de raden. De Gouverneur kan eventueele gebreken in de vertegenwoordiging door benoeming redresseeren. ■ In den Bengaalschen raad (63 a 65 leden) *) en dén raad van de Vereenigde Provinciën (58 a 60 leden) zijn ieder 17 zetels voor dé Mohammedanen aangewezen; in andere raden tellen...”
6

“...: x°. algemeen kiezerscorps; 20. de Mohammedanen; 30. de Sikhs. De Indische Christenen, Anglo Indians, Europeanen2) en leden van andere minderheden werden dus in de eerste groep ondergebracht. Door deze groep werden o.m. 25 vertegenwoordigers van de Depressed Classes, 7 Indische Christenen en 3 Anglo-Indians gekozen. Tenslotte hieronder nog eenige cijfers van de belangrijkste „communities”, ondeend aan R. Coupland, Indian Politics blz. 339 (de cijfers zijn in 1000-tallen uit- gedrukt) . Provincie s) Hindoes die niet tot de scheduled castes behooren Scheduled castes Moham- medanen Christenen Sikhs Totale bevolking Madras 34 731 8 068 3 896 2047 0.4 49 342 Bombay 14 700 I 855 I 920 375 8 20 850 Bengalen 17 68O 7 379 33 005 166 l6 60 307 Vereenigde provinciën. 34 095 ii 717 8 416 160 232 55 02! Pandjab 6 302 i 249 16 217 5°5 3 757 28 419 Bihar 22 I74 4340 4716 35 13 36 340 Centr. pjrov 9 88l 3 051 784 59 15 l6 814 Assam . 3 537 676 3 442 4i 3 IO 205 North West...”
7

“...afkomst is of was; een „native of India” is een ieder, die ingezetene van India en Burma is en geboren is uit ouders die als regel in India en Burma verblijf houden (resident in India and Burma) en daar niet tijdelijk vertoeven. Een Europeaan is ook een persoon wiens vader of eenige andere mannelijke voorvader in de mannelijke lijn van Europeesche afkomst is of was, maar die niet een „native of India” is. Het aantal Anglo-Indians (v.z.v. zij tot de Christenen behooren) in 1941 bedroeg ïï3 936 in Britsch India en 140 422 in India. In Britsch India maken zij 0,03 pet. van de totale bevolking (295 808 722 zielen) uit. Provinciale cijfers van 1941 zijn mij niet bekend. Voor 1931 zijn de cijfers voor Britsch-India zonder Burma 101 432, voor India 119 195. De meesten wonen in Bengalen (27573), Madras (28669), Bombay^ (16 158) en de Vereenigde provinciën (11 263). Zij werken hoofdzakelijk in ondergeschikte betrekkingen aan de Spoorwegen, Post en Telegraaf, Politie, Douane...”
8

“...te vergelijken — de Anglo-Indians hierbij op, dan komen we tot hoogerc absolute, maar lagere relatieve cijfers voor India: zielental in op de 1000 absolute cijfers zielen van de tot. bevolking India 406 428 1,2 Nederlandsch-Indië 240417 3,9 De economische beteekenis van de Europeanen is in India kleiner dan in Neder landsch-Indië. De Engelsche niet-ambtelijke gemeenschap houdt zich voornamelijk met scheepvaart, handel, bankwezen en industrie bezig, maar groot is die gemeen- schap niet, volgens een schatting in 1942 ongeveer 20000 man. Een kwart deel van het totaal aantal Europeanen zit in het leger, althans in 1931 (70000 man). In de cultures is de bulk van het Europeesche kapitaal in de theecultures van Assam geïnvesteerd. De suiker-, katoen- en ijzer- en staalindustrieën zijn grooten- deels in handen van Indiërs. Ook in de gouvernementsdienst is, gelijk algemeen bekend, de numerieke beteekenis der Europeanen veel geringer dan in het Neder- landsch-Indië van 1930...”
9

“... Tafel Conferentie is de vraag besproken of de minoriteiten niet op een of andere wijze ook vertegenwoordigd dienden te zijn in de ministerieele kabinetten van de Provincie en de Federatie. De Congrespartij heeft in haar memorandum voorgesteld om bij „convention” vast te stellen, dat bij de formatie van kabinetten met de belangen der minoriteiten rekening zou worden gehouden. In het memorandum van de vertegenwoordigers voor de Mohammedanen, Depressed Classes, Indische Christenen, Anglo-Indians en Europeanen wordt verzocht om bij „convention” te bepalen, dat vertegenwoordigers van Mohamme- danen en andere minoriteiten van belangrijke grootte, in de kabinetten moeten worden opgenomen. De Sikhs vragen 1/3 deel van de zetels van het kabinet der Provincie Pandjab. Een voorstel van anderen aard werd door Pandit Nanak Chand bij het Joint Committee voorgebracht, om voor geheel India een Minorities Protection Board te benoemen, bestaande uit twee Hindoe’s, één Mohammedaan en één...”
10

“...Het gezamenlijk voorstel van de vertegenwoordigers der Mohammedanen* Depressed Classes, Indische Christenen, Anglo-Indians en Europeanen spreekt van het garandeeren van een bescherming tegen discrimineerende wettelijke bepalingen; garantie van de volle vrijheid van godsdienst in den ruimsten zin des woords, ook de vrijheid van bekeering, („propaganda” staat er in het Engelsch) *) met inacht- neming van de bepalingen ter handhaving van orde en goede zeden. Verandering van geloof mag niet gepaard gaan met verlies van burgerrechten, en niet strafbaar gesteld worden. De constitutie zal passende waarborgen bevatten voor de bescher- ming van godsdienst, cultuur en „personal law” (personenrecht). Het genot der burgerrechten moet gewaarborgd worden door sancties. Bijzondere rechten worden voor de Depressed Classes gevraagd. De vertegenwoordiger van de Hindoe Mahasabha (de vereeniging van orthodoxe Hindoesche politici) wil ook volle godsdienstige vrijheid, die ook, evenals in het...”
11

“...his individual judgment” (naar zijn eigen bevinding, na den Minister gehoord te hebben) *) mag hierin verandering worden gebracht. Dat is alles wat van de eigenlijke grondrechten in de Government of India Act 1935 is opgenomen. Van een Koninklijke Proclamatie in 1935 of in 1937, toen de wet in werking begon te treden, heb ik niets kunnen vinden. § 6. Toelating van minderheden tot Overheidsbetrekkingen De vrijheid om een eigen beroep te kiezen kan voor de leden der minderheden beperkt worden, wanneer de Overheid hen niet tot den Staatsdienst toelaten, of althans de toelating zoo bemoeilijken, dat zij om bepaalde redenen geen toegang tot die diensten kunnen verkrijgen. En nu verkeeren juist minderheden als Mohammedanen, Anglo-Indians en Depressed Classes, wegens hun geringere schoolsche kennis, in een ongunstige positie, sedert de vergelijkende examens („open competition”) over toelating beslissen. Dit heeft de Britsche Regeering genoopt, om dezen eisch niet in alle...”
12

“... efficiency en verdienste de eenige grondslagen voor de benoeming van ambtenaren behooren te zijn. Zoodra „communal, racial or caste” consideraties in het spel komen, wordt de efficiency verzwakt en „public life” bedorven. . De woordvoerders der minderheden zijn het natuurlijk daarmee niet eens. Dat blijkt uit punt 12 van de resolutie van de Muslim League van 1929 waarin voor de Mohammedanen een evenredig aandeel der betrekkingen in allerlei Overheids- diensten, rekening houdende met de eischen van efficiency, wordt gevraagd. Het blijkt ook uit het gezamenlijk memorandum dezer groepen (Mohammedanen, Depressed Classes, Indische Christenen, Anglo-Indians en Europeanen). In dit memorandum komt een passage voor, speciaal gewijd aan de Anglo-Indians. Met de toenemende „Indianisatie” zijn de Anglo-Indians uit tal van diensten door de Indiërs verdrongen. Hoewel hun status, gelijk uit een ministerieele rede blijkt, soms die van de Europeesche „British Subjects” benadert, maar voor gouverne...”
13

“...Minutieuze regelingen zijn gemaakt voor de niet centraal, maar locaal aangewor- ven ambténaren van Spoorwegen, Post- en Telegraaf, Douane, enz., die hierop neer komt, dat de totale reserveering bij de Spoorwegen 25 pet. voor de Moham- medanen, 8 pet. voor de Anglo-Indians en 6 pet. voor andere minderheden bedraagt. Deze percentages kunnen plaatselijk hooger pf lager zijn naar gelang ér veel of weinig van deze „communities-’ wonen of werken. Voor andere Dien- stéh zijn weer andere cijfers vastgesteld. Boven in § 3 (blz. 104) werd reeds vermeld hoe zeer men in het Joint Committee en Parlement van de aanspraken der Anglo Indians op boven bedoelde betrekkingen ovèrtuigd was, en in art. 242 van de Government of India Act 1935, lid 2, wordt de z.g. Federal Railway Authority (een college van zeven personen, dat de Staats- spoorwegen bestuurt) opgedragen om bij zijn benoemingen te letten op den band, die in het verleden tusschen de Anglo-Indians en den Dienst der Spoorwegen heeft...”
14

“...§ 9* Vrijheid van onderwijs De vrijheid en mogelijkheid van onderwijs aan minderheden is nog wel een onder- werp van besprekingen op de Ronde Tafel Conferentie en gedurende de vergade- ringen van het Joint Committee'geweest, doch uitsluitend wat het onderwijs aan Europeanen en Anglo-Indians betreft. Het onderwijs aan andere minderheden, zooals Mohammedanen, Sikhs, Depressed classes schijnt geen problemen te geven. Globale gegevens over het Europeesch onderwijs, dat zich wel grootendeels zal bepalen tot onderwijs aan Anglo-Indians en de z.g. Domiciliated Europeans, de „blijvers” 1), vond ik in het rapport van een door de Commissie-Simon afge- splitste sub-commissie onder leiding van Hartog, die gegevens over onderwijs ver- zamelde. In 1927 telde men in Britsch-India 421 scholen waarvan de meerderheid in handen was van de Zending en Missie; 95 werden er beheerd door de Staatsspoorwegen, speciaal voor kinderen van het personeel, dat, zooals bekend, voor een deel uit Anglo...”
15

“...In het onder de Ronde-Tafel-Conferentiestukken meer genoemde memorandum van de vertegenwoordigers van verschillende minderheden wordt speciaal voor de Anglo-Indians voorgesteld, dat zij het recht zullen hebben om hun eigen Euro- peesche onderwijsinrichtingen te beheeren en te controleeren onder toezicht van den betrokken Minister; ook wordt gevraagd om milde en passende subsidie’s en beurzen op de basis van de bestaande subsidie-regeling. Op de derde zitting der Ronde-Tafel-Conferentie brengt een kleine commissie van vijf (drie Engelschen w.o. Sir Henry Gidney, één Mohammedaan en één Hindoe) onder leiding van Lord Irwin een rapport uit over dit onderwerp. In deze commissie wordt Sir Henry Gidney blijkbaar overtuigd, dat Europeesch onderwijs onder de zorg van de Provincie zal blijven. Echter werd bedongen, dat wettig vastgesteld zou worden, dat de Provincies de bestaande onderwijssubsidies aan Europeeschc scholen niet zouden verminderen dan met instemming van de meer...”