| 1 |
 |
“... overzeefcbe bezittingen wordt geen gewag gemaakt. In-
tusfchen, hoezeer dan ook niet uitdrukkelijk opgegeven, moeten zj) dil-
.zwijgend verdaan worden tot het Rijk te behooren; want, daar de noor-
delijke provinciën, welke ze tot moederland hebben, met al de ultgedrekt-
heid van derzelver gebied, zoo wel in Europa als buiten Europa gelegen ,
een gedeelte van het Rijk uitmaken, moeten die bezittingen, tot dat gebied
behoorende , veronderdeld worden, daaronder begrepen te zijn. Als men toch
het geheel opgeeft, verdaat men daaronder al de deelen, welke dat geheel
uitmaken. Zij hebben dan ook ten grondflag mogen verürekken voor de
vertegenwoordiging. Zie bovengenoemd Rapport, bladz. 81, en art. 8 van
dt Grondwet,...”
|
|