| 1 |
 |
“...fnede hij het ruwste
van het hout af-
schaaft.
Een boor, is èen werk*
tuig waarmede hij
een gat boort , om
er een’ spijker óf
pen (pin) met den
hamer in te slaan,
De zaag dient om bal-
ken , latten , plan.
ken enz. te zagen,
De passer gebruikt hij
om iets juist af te
passen.
Met behulp ran het
schietlood , ziet bij
of alles juist regt
t in het lood ) staat.
Met het waterpas on_
derzoekt hij, of iets
aoo gelijk gerigt is,
als de oppervlakte
van een ’ waterplas.
Wanneer de timmer-
man zijn hout gelijk
gehouwen , of glad
geschaaft heeft, dan
brengt hij zijn werk
in den haak met
den winkelhaak.
e.el la kita di Pias
bt oetoe di palos.
Oen boor, la oen her-
ment koe kwal eel
la bora oen boera•
koe, pa bati oen
kloboe o pennetje
hoe martien adeen.
Zaag la sierbi pa
korta balki, lala i
nier koos mas.
Passer eel la oesa
pa pas oen koos
dreetsji.
Koejoedama di schiet
lood, eel ta mira sa
loer koos ta para
hoe sloe na tsjeem•
boe.
Koe waterpas...”
|
|