Your search within this document for 'sera' resulted in three matching pages.
1

“... 220 M. hoogte, met hoog, boschrijk gebergte aan beide zijden. De weg van Port de Koek bereikt het langs den westvoet, die van Pajakoemboeh langs den oostvoet van den Sera- b o eng an. Yan Bondjol gaat de weg noordwaarts naar het noordelijk deel der Padangsche Benedenlanden over eenen machtigen lavastroom van den hoogen Ophir (bijna 3000 M.), welke dezen berg met den Goenoeng Gadang verbindt; de pashoogte is bijna 600 M. en de weg slechts als paardenpad te gebruiken. De regelmatige vulkaan Ophir, welks hooge kegel steeds de aandacht der zee- vaarders trok en welks naam aan het goudland uit den Bijbel (I Kon. LK : 28 en X : 11) en daardoor aan zijne vermeende goudrijkheid herinnert, heet bij de Inlanders Pasa man; zijne hoogte wordt thans door triangulatie nauwkeurig bepaald; op zijne helling vindt men twee werkzame vulkanische punten. — De vischrijke Ma sang...”
2

“...394 (1865—68); beiden gingen langs de Batang Loepar over een zeer laag deel van liet gebergte naar het meren- gebied der Kapoeas. Alleenstaande bergen zijn hier en daar in de vlakte verspreid, eene enkele maal zelfs staan ze dicht bij de kust, b. v. de berg Kidorong, bij de Kidorongbaai, de eenige goede haven der kust, en de 500 M. hooge Lambir. Op twee plaatsen steekt de kust met modderkapen in zee vooruit, n.1. als kaap Sirik en kaap Baram; bij de eerste heeft de Bed- jang, de grootste rivier van de vlakte, welke een eind- weegs de hoofdas van het eiland volgt en met zes monden in zee valt, eene uitgestrekte delta (64 n m-) doen ont- staan, bij de tweede maakt de slib der Baram, welke van het hoofdgebergte direct naar zee gaat, steeds nieuwe en zeer snelle veroveringen op deze; de Redjang heeft de eerste riams eerst 30 uren gaans naar binnen en daar nog 4 vademen water. In de groote bocht van Datoe, tusschen de kapen Datoe en Sirik, stroomen de Sera- wak, de...”
3

“...397 stemming van Hare Britsche Majesteit. In geheel Sera- -wak schiep Brooke orde; de verhouding der Maleische hoofden tot de Dajaks werd nauwkeurig bepaald en ge- handhaafd. Door gematigdheid won hij de gunst der hoofden, door eerbied voor den koran die der priesters. In de opiumpacht en het ontginnen der rijke antimoniummij- nen schiep hij zidh bronnen van inkomsten. De nieuwe toestand lokte vele fortuinzoekers, vooral Chineezen. Deze, meestal in de goud-, kolen- en antimoniummijnen werkzaam, zochten den vreemden indringer in 1857 te verwijderen; zijn huis werd afgebrand, zijne vrienden werden vermoord, hij zelf zou zonder de hulp der Ma- leiers en Dajaks, wier toegenegenheid hij zich had ver- worven , stellig' evenmin ontkomen zijn. Door hunnen steun werd hij gered; hij bevestigde zijne heerschappij en breidde zijn' gebied nog aanzienlijk uit, steeds ten koste van Broener; in 1861 werd de grenspaal verzet tot kaap Kidorong, bij den genoemden berg Kidorong, in...”