Your search within this document for 'ketel' resulted in three matching pages.
1

“... uit op- stijgen, veroorzaken de gevreesde „sawahkoortsen. Rijst bevat te weinig kleefstof, om er brood van te bakken. De Maleiers gaan ze op eenen cilindervormigen koperen ketel (dongdang) met kokend water, in bam- boe- of rotanmandjes, stoomen; de stoom maakt namelijk de rijst gaar. Daar de kinderlijke fantasie der Maleiers ook de rijst met eene ziel toerust, namelijk tot woonplaats maakt van dewi Sri, de echtgenoote van Yishnoe, een der drie góden van het Brahmanisme (§ 33), wordt ze in alle opzichten als bezield wezen behandeld; vandaar de hon- derden plechtigheden en feestelijkheden, welke bijna overal in Indië met den rijstbouw verbonden zijn en waarin het bijgeloof zich in allerhande vormen openbaart. In vele streken van Indië heeft men rijst te min, zoodat men dit artikel moet invoeren; Java voert jaarlijks ± 10 millioen K. G. uit, waarvan de helft naar Nederland gaat. Toch komt wel twee derden van onze rijst uit Britsch-Indië....”
2

“... den berg de Dewa Batoer (dewa =: god) woont. Aan den zuidvoet van den centralen top ligt het dorp Ba, to er, met eenen be- roemden tempel, als elders op Bali Eoemah Dewa (= woning der góden) geheeten. In den ketel om den top heen hangen de wolken gedurende den regenmoeson soms weken aaneen, zonder dat de zon doorbreekt en helpen de zware dampen uit den krater den hemel ver- duisteren ; hevige wind komt hier zoo goed als nooit voor. Zuidzuidoost van den Goenoeng Batoer ligt de 3200 M. hooge Goenoeng Agoeng (= groote berg) of piek van Bali, door eene smalle en diepe kloof van den Goenoeng Abang gescheiden. De ingesneden top is kaal; bij den krater hebben de Inlanders eene heilige bidplaats. Ten oosten van dezen ligt, aan Straat Lombok, de Goenoeng Seraja, welke, evenals het Batoer gebergte, door Zollinger werd beklommen; het is waarschijnlijk een overgebleven stuk van eenen ingestorten krater....”
3

“...261 noordoostelijke richting nog den Seraboengan en den Gadang. De eerstgenoemde deed door centrale in- storting (vgl. Krakatau p. 233) het groote meer Ma- nie n dj o e ontstaan; het is 3 uren gaans lang en half zoo breed; de grootste diepte van den ketel is 157 M.; de oude mantel verheft zich thans tot ± 700 M. boven het meer, dat op 460 M. hoogte ligt en door eenenauwe kloof in den westrand afvloeiing heeft; de rivier heet Antokkan; ze gaat naar de westkust en erodeert den mantel steeds dieper; tufachtige afzettingen wijzen hier en daar oude oeverlijnen aan, 50 M. boven de tegenwoor- dige ; een schiereiland aan den westoever is het overschot van den rug, welke eenmaal de twee kraters scheidde. Aan den westvoet reiken de mantels van den Maniendjoe vulkaan en den Singallang tot aan zee en werden in het kwartaire tijdvak deels onder water afgezet; vandaar de flauwe helling dier deelen. Yan den sterk geribden Se- raboengan, naar gissing 2000 M. hoog, is de Maniendjoe...”