Your search within this document for 'flora' resulted in 57 matching pages.
 
1

“...VI VOORBERICHT. land, waar ik de historische indeeling geheel voor eene verdeeling in natuurlijke geographische geheelen heb doen plaats maken., is dus ook hier toch op denzelfden grond- slag gebouwd. Wat de verdeeling der reusachtige eilan- denbrug tusschen de Oude Wereld en Australië - - door mij in haar geheel met den naam Insulinde aan- geduid — betreft, heb ik mij geheel aangesloten bij die van Wallace. Daar ik elders J) deze verdeeling, zooals ze in verschillende werken door den beroemden Engelschen natuur- onderzoeker is behandeld, nader heb uiteengezet, zij het mij vergund, den belangstellenden lezer daarheen te verwijzen. 3. Waar mij zulks noodig en nuttig toescheen, heb ik de grenzen van onze koloniën overschreden, om de besproken verschijnselen wat meer algemeen op te vatten. Zoo is de luchtsgesteldheid in onze koloniën als een deel van het tropische klimaat voorgesteld. Ook zijn de flora en de fauna in hare verwantschap met aangrenzende dieren- en...”
2

“...INHOUD. AFDEELING I; INSULINDE. I. ALGEMEEN OVERZICHT. a. De zeeën en eilandengroepen. § 1. Ligging en grenzen; tijdrekening. § 2. Overzicht der zeeën. § 3. Zeestroomingen; eb en vloed. § 4. Overzicht der eilan- dengroepen ; oppervlakte. § 5. Geologisch overzicht der eilanden. b. Het klimaat. § 6. Het tropische klimaat in het algemeen. § 7. Het klimaat van Insulinde. e. De Flora. § 8. Tropische wouden. § 9. De belangrijkste groepen der flora. § 10. Nuttige gewassen; rijstbouw. § 11. Botanische verdee- ling van Insulinde. d. De Fauna. § 12. De beteekenis der fauna; Wallace. e. De Bevolking. § 13. De menschenrassen in Insulinde. § 14. De kolonisten in Insulinde. H. BESCHRIJVING DER DEELEN. § 15. De geographische verdeeling van Insulinde. A. Aziatisch Insulinde. § 16. Verhouding tot het vastland; de fauna. I. Java, Sumatra en Borneo met de omliggende eilanden. a. Java met de omliggende eilanden. I. Beschrijving van Java. § 17. Java in het algemeen. § 18. Het...”
3

“...X I N H O TT D. II. Java’s flora en fauna, in verband met het hoogte- klimaat; de voornaamste cultuurproducten en de veeteelt. § 26. Do plantengordels in verband met het 'hoogteklimaat. § 27. De fauna in verband met de plantengordels. § 28. De drie hoofdcultuurproducten der heete zone. § 29. De twee hoofd- cultuurproducten der gematigde zone; de kinacultuur der koele zone. § 30. De veeteelt. UI. De bevolking van Java. § 31. Samenstelling; talen. § 32. Levenswijze en middelen van bestaan. § 33. Godsdienst. § 34. Kunsten en wetenschappen. § 35. De vestiging en uitbreiding onzer heerschappij. § 36. De inrichting van het bestuur en de politieke verdeeling. § 37. De opvolgende koloniale stelsels. § 38. De door ons op Java gebrachte beschaving; onderwijs; wegen. § 39. Statistiek der bevolking; dichtheid in de verschillende deelen. IV. Beschrijving der omliggende eilanden; hunne be- woners. § 41. Madoera. § 42. De eilanden vóór de noord- en de zuidkust van Java. § 43...”
4

“...INHOUD. XI c. Borneo en de omliggende eilanden. I. Beschrijving van het eiland. § 65. Algemeen overzicht; houw van het eiland. § 66. Klimaat; flora en fauna. § 67. Yerdeeling naar de stroomgebieden. a. De Wester-Afdeeling van Nederlandseh-Bomeo. § 68. Het gebied der Boven- en Midden-Kapoeas. § 69. Het del- tagebied der Kapoeas en zijne omgeving; de vlakte der Pawan en omgeving. § 70. De vlakte van Sambas en Montrado en omgeving. b. De Zuider- en Ooster-Afdeeling van Nederlandsoh-Borneo. § 71. Het stroomgebied der rivieren van Zuid-Bomeo. § 72. Het gebied van Koetei en de kleine vlakten der zuidoostkust. § 73. De Berouwsche landen; de vlakte van Boelangan en do Ti- doengsche landen. e. Bet niet-Nederlandsche deel van Borneo. § 74. Serawak en Broenei. § 75. Het noorden van Borneo; de British Borneo Company. H. De bevolking van Borneo. § 76. De Dajaks. § 77. De immigranten der omliggende eilanden en de Yreemde Oosterlingen. § 78. Onze vestiging op Borneo; verdeeling...”
5

“...•XII INHOUD. b. De noordelijke groep. § 105. Beschrijving van de eilanden der noordelijke groep. § 106. Uitbreiding van ons gezag in de Molukken; contracten met de drie sultans; bestuur; inkomsten. E. Australisch Insulinde. § 107. Beknopt overzicht der ontdekkingsgeschiedenis van Nieuw- Guinea. § 108. Overzicht van Nieuw-Guinea. § 109. Koloni- satie op Nieuw-Guinea. § 110. De Papoea eilanden. § 111. De Aroe eilanden. ITT DE VERHOUDING VAN NEDERl-ANDSCH-INDli: TOT HET MOEDERLAND; HET BESTUUR. § 112. Het burgerlijk bestuur. § 113. Het rechtswezen; slavernij en pandelingschap; heerendiensten. § 114. De land- en zee- macht. § 115. Het financiewezen; verpachte en niet-verpachte middelen. § 116. Yerkeer met Nederland; de Handelmaat- schappij; industrie. § 117. De zending; het onderwas. AFDEELING II. SURINAME EN NEDERLANDSCH WEST-INDIE. 1. SURINAME. § 118. Ligging; grenzen en grootte; zeestroomingen en getijen; klimaat. § 119. Geologie. § 120. De flora; cultures. § 121...”
6

“...24 De gelijkmatige luchtdruk is oorzaak van de ge- ringe ontwikkeling van cyclonen, waardoor het tropische geheel het tegenbeeld wordt van het Atlantische klimaat. Bij den overvloed van warmte wordt de vochtigheid der lucht voor de flora en fauna en ook voor den mensch het hoofdelement van het tropische klimaat, vooral daar het jaar bijna overal verdeeld is in een nat en een droog jaargetijde. Blijft de regen in het natte seizoen uit, dan volgt er onvermijdelijk misgewas en hongersnood. De gemiddelde jaartemperatuur ligt tusschen 20 en 28° C.; de afstand der isothermen is groot. Bij ons is de temperatuur wel eens hooger, maar daar de lucht dan in den regel minder vochtig is, blijft de warmte minder drukkend; de hooge graad der vochtigheid maakt tevens, dat de menschen in de tropische luchtstreek voor eene geringe verandering van temperatuur veel gevoeliger zijn dan wij. De groote hoeveelheid stralende warmte veroorzaakt op ontbloote hoofden licht zonnesteek, welke...”
7

“... moeson 100, in den drogen 47 regendagen; daar zijn de regenhoeveelheden ook alleen in Januari en Februari des vóór- en namiddags bijna gelijk, terwijl in de overige maanden die van den voormiddag slechts de helft of zelfs ook wel nog niet een derde van die van den namiddag bedragen; hier is dus de invloed der na- middag-warmteonweders zeer duidelijk merkbaar. Oost- waarts dalen de regencijfers van den drogen moeson, zoodat de Kleine Soenda eilanden en enkele Molukken, vooral Timor, reeds eenen werkelijk drogen moeson in ons zomerhalfjaar hebben, evenals Noord-Australië, waar dan op de meeste plaatsen geen droppel regen valt. Daardoor is de aard van den plantengroei op Timor en de overige Kleine Soenda eilanden veel meer Australisch; op het eerstgenoemde eiland heerschen zelfs de echt Australische eucalypten, zooals we bij de flora nader zullen zien. Deze regenarmoede is het noodwendig gevolg van de her- komst van dezen zuidoostpassaat; hij kan namelijk uit...”
8

“... allereerste voorwaarde voor gezondheid; voor den blanke, die de laagvlakte bewoont, is het bovendiennoo- dig, zich nu en dan aan het klimaat te onttrekken. Hij gaat dan eenen winter naar Europa, om er, zooals de term luidt, „uit te vriezen.” Ook in de bergstreken van Insulinde zelf kan men „eenen frisschen neus ha- len,” b. v. in de sanatoria of reconvalescenten- gestichten van het Javaansche bergland, met welke we later zullen kennis maken. Opmerkelijk is het echter, dat vele Hollanders, hier teruggekomen, met heimwee aan het schoone Insulinde terugdenken en zelfs wel naar hunne plantages wederkeeren. C. DE FLORA.. Door den overvloed van licht, warmte en vochtigheid is de tropische natuur gezegend met eene zeer rijke flora, welke vooral onze bewondering gaande maakt door de uitgebreide en reusachtige wouden. Gaan we deze bin-...”
9

“...-expeditie van 1877-79. De rijkste familie der epiphyten is die der orchideeën, bekend door hare grillige afwisseling in vorm, grootte en kleur. Slechts enkele boomen vertoonen eenen geheel gladden stam, vrij van lianen en epiphyten; als zoodanig noemen we den rasamala, den grootsten der Indische woudreuzen 9. De Wanneer we de Indische flora wat van naderbij bezien, Hgrijkste verdienen allereerst vermelding de palmen. Ze bewonen roepen . I flora_ m ± 1000 soorten de heete luchtstreek; hunne uiterste grenzen zijn 44° N. B. — de dwergpalmen bij Nizza, op de klimatisch zeer begunstigde Biviera — en eveneens 44° Z. B. — de arecapalmen der Ohatham-eilanden, ten oos- ten van Nieuw-Zeeland. In vroegere geologische tijdperken was hun verspreidingsgebied aanzienlijk grooter; in Midden- Europa waren ze eenmaal in vrij grooten getale aanwezig; ze bereikten er, met meer dan 30 soorten, in het midden...”
10

“...58 §ii. Grisebach, de vader der botanische geographic, ver- Botanisehe deepje ^ 1372 in zijne „“Vegetation der Erde" al het land verdeehng ^ aarde in 24 floragebieden, van welke een den naam insuiinde. Indisch Moesongebied draagt en, behalve geheel Insulinde, ook het noordelijk deel der eilanden van Au- stralië benevens geheel Achter-en bijna geheel Voor-Indië omvat. Na Grisebach is dit nieuwe veld der wetenschap vooral bearbeid door Engler, hoogleeraar te Kiel. Daar hij gemeend heeft, in Insulinde eene deellijn te moeten trekken, is het noodig, zijne indeeling wat van naderbij te bezien. Hij brengt de flora der tropische deelen van de Oude “Wereld tot één Rijk en verdeelt dit in tien Ge- bieden; een van deze omvat behalve Insulinde nog Tenas- serim en Malakka, het zuiden van Birma, dén noordrand van Australië en de eilandengroepen ten zuidoosten van Nieuw-Guinea tot en met de Eidzji-eilanden. Dit Malei- sche Gebied verdeelt Engler als volgt: a. de “Westelijke...”
11

“...59 eilanden, wel vertegenwoordigd. De eiken, op Sumatra en Java bijna tot aan den oever der zee afdalende en op Borneo nog veelvuldig voorkomende, beginnen echter op Celebes reeds zeldzaam te worden, in de Molukken nog meer, om op Meuw-Gninea en in Tropisch-Australië ge- heel te verdwijnen; echter hebben ze zich wel noordwaarts naar Japan verspreid. De araucariën gaan niet verder westwaarts dan het Arfak gebergte op Meuw-Guinea. Sumatra heeft, evenals Java, enkele geslachten alleen met Malakka gemeen, maar vertoont aan den anderen kant weder meer overeenstemming met Borneo, waarmede het zeer vele soorten gemeen heeft. Verschillende familiën, welke ten oosten van Borneo slechts zwak zijn vertegenwoordigd, komen ook op de Philippijnen en in Zuid-China, voor zoover we van deze streken de flora kennen, slechts spaarzaam voor. De vulkanen van Java dragen vele plan- ten , welke we eerst in Engelsch-Indië en in den Himalaja terugvinden; ze bezitten echter alle kleine zaden...”
12

“...60 doorgaand kenmerk, dat deze flora veel onder is dan de flora’s buiten de tropen, doordat de aarde, wat het klimaat betreft, in de tropische streken veel geringer wij- zigingen in de jongere geologische perioden heeft onder- gaan dan daarbuiten. Een ijstijdperk en zijne vernieling hebben deze streken nooit aanschouwd. Daardoor is de gestadige ontwikkeling van de plantensoorten niet gestoord en zijn deze dus wel oorspronkelijk dezelfde, ook op de eilanden, maar toch, naar de verschillende voorwaarden van bestaan, welke ze op de verschillende eilanden vonden, langzamerhand gewijzigd. Op het voetspoor van Engler heeft Drude eene eenigs- zins gewijzigde en vereenvoudigde indeeling der flora van onzen aadbol gegeven. Hij verdeelt de geheele aarde in 15 Rijken en deze in Gebieden. Zijn Indisch Florarijk komt vrij wel overeen met het IndischeMoe- songebied van Grisebach; het Maleische Gebied, met den omvang namelijk, zooals die door Engler werd vast- gesteld , bevat van...”
13

“...61 te voorzien. Daarom "woont hij aan het water. In de tropische streken is de flora zoo weelderig en levert zoo overvloedig allerlei producten voor de meest verschillende levensbehoeften, dat de mensch er met geringe moeite zich het noodige verschaft. In die rijke flora gaat de fauna als ’t ware te loor, ofschoon ook deze van de polen naar den aequator eenen steeds grooteren rijkdom en eene toe- nemende verscheidenheid te zien geeft. Het rijkste faunagebied is ongetwijfeld het Indische, d. w. z. het gebied van Yoor- en Achter-Indië, Zuid- China en Insulinde tot en met Celebes en Bali. Alleen wat insecten en vogels betreft, wordt het door Bra- zilië overtroffen; ook voor de fauna staan deze twee ge- bieden bovenaan. Het Indische heeft vertegenwoordigers van bijna alle familiën van Europa, Noord-Azië, Afrilra. en Australië; bovendien zijn de Indische soorten grooter dan de Europeesche en Noordaziatische; slechts enkele, zooals paarden en herten, zijn kleiner. De kleur...”
14

“...63 Achter-Indië, behalve Malakka, de Audamanen en de Ni- kobaren), d. het Indo-Maleische Gebied (Insulinde, oost- waarts tot en met de groep van Celebes en het eiland Bali). Het Australische Rijk verdeelt "Wallace in: a. het Austro-Maleische Gebied (hetoverig In- sulinde, oostwaarts tot en met de Salomons eilanden), b. het Australische Gebied (Australië), c. het Nieuw-Zeelandsche Gebied (Nieuw-Zee- land en omliggende eilanden), d. het Polynesische Gebied (de overige eilanden van Oceanië). De Indo- en Austro-Maleische gebieden, welke, met uitzondering van de Andamanen en Nikobaren, geheel Insulinde omvatten, behooren dus tot verschillende Rijken, zoodat hier het verschil veel grooter is dan bij de Flora. Dit komt ten deele hiervan, dat de planten meer midde- len hebben, om zich te verspreiden. Bij de fauna hebben we dus meer den oorspronkelijken toestand voor oogen; vandaar dat de studie er van zulk eene hooge waarde heeft gekregen voor de wordingsgeschiedenis...”
15

“... de Natuurlijke Historie onzer kóloniën arbeidden en het beroemde Ko- ninklijke Museum van Natuurlijke Historie te Leiden, staande onder den alom vermaarden directeur Temminck, tot eene schatkamer der Indische flora e fauna maakten. Van deze mannen, welke hunnen dorst naar kennis meestal met het leven boetten, noemen we de Duitschers: Kuhl, Boie, Macklot, Müller, Horner, Schwaner en Junghuhn (§ 5); de Ne- derlanders: Van Hasselt, Korthals, Van Oort en Forsten; den Franschman Diard. Daar de meesten in Indië overleden, ging er van hunne papieren, tot schade voor de wetenschap, zeer veel verloren. Enkelen hunner zullen we bij de eilanden, welke het hoofdterrein hunner onderzoekingen waren, weder ontmoeten. In 1850 werd deze Natuurkundige Commissie, na een 30jarig bestaan,...”
16

“...H. BESCHRIJVING DER DEEPEN. § 15. De Evenals ten opzichte van de dierenwereld heeft Wallace geographiache met betrekking tot de eilanden zijne Indische studiën Vtr'^von"9 uitgebreid tot de geheele aarde. Hij verdeelt ze in verband insuiinde. met de vraag, in hoeverre ze al of niet tot een der con- tinenten behooren en let daarbij, behalve op de zoölo- gie, op de botanie, de geologie en de oceano- graphie. Naar dit beginsel en deze grondslagen onder- scheidt hij: a. continentale eilanden, n.1. zulke, die zoowel oude als jonge gelaagde gesteenten bevatten, dichtbij het vastland liggen en verschillende landzoogdieren, amphibiën en lagere diersoorten in aanzienlijke verscheidenheid her- bergen; ze bestaan uit twee groepen, n.1. 1. eilanden, door eene zeer ondiepe zee — zelden dieper dan 100 vademen — van het vastland gescheiden, en daarmede nauw verwant, wat betreft de geologische structuur van den bodem, de fauna en de flora. Ze be- zitten al de kenmerken van een deel...”
17

“...77 tensoorten, ■welke op eene zeer langdurige afscheiding wijzen; vaak zijn deze verwant aan soorten, in ver ver- wijderde deelen der aarde voorkomende. Deze vroeg af- gescheiden deelén der vastlanden heeten oude conti- nentale eilanden. Voorbeeld: Madagaskar. b. oceanische eilanden, d. w. z. zulke, dienooit deel hebben uitgemaakt van eenig vastland. Daardoor ont- breken alle warmbloedige landdieren. De flora en fauna zijn steeds zeer onvolledig en vertoonen allerhande wan- verhoudingen, doordat lucht- en zeestroomen nu en dan enkele levensvatbare individuen of zaden van de omrin- gende vastlanden aanvoerden. Ze liggen in de bekkens der oceanen en zijn dus door eene diepe zee omgeven. De hooge zijn vulkanisch, de lage koraalvormingen. Voor- beelden: St. Helena (vulkanisch), de Keelings ei- landen (koraalvormingen). Passen we deze indeeling op Insulinde toe, dan moeten Java, Sumatra, Borneo en de Philippijnen in het westen en Nieuw-Guinea met de omliggende eilanden...”
18

“... Java zijn thans rijzende; Junghuhn nam rijzing waar aan den zuidwesthoek, waar koraal- banken tot 7 a 10 M. boven het niveau der zee zijn ver- heven; Stöhr vond jonge opgeheven koraalbanken aan de oostkust, terwijl volgens Zollinger de bouwvallen van het eenmaal aan de vlakke zeekust gelegen Modjo- pahit nu 31 M. boven den zeespiegel liggen. Verreweg het grootste deel van Java is nog altijd be- dekt met dichte oerwouden; ze wijken daar natuurlijk het meest, waar de. bevolking het snelst toeneemt. • Boven de boomgrens, ± 2§00 M., verheffen zich slechts een dozijn vulkanische toppen. Hare hoogte hangt op vele plaatsen meer van het vulkanisme dan van de tempera- tuur af; bij vulkanische uitbarstingen wordt namelijk de flora der hoogste deelen nu en dan geheel vernietigd. I j g Er 'land tertiaire bodem bestaat meestal uit leem, mer- |Java inSe^ en zandsteen; zoo deze bestanddeelen kalkachtig ggiemeen. zijn, zijn ze hros; waar het gesteente kwartsachtig is, zijn...”
19

“...88 de dichstbevolkte terreinen en het Gouvernement kweekt er veel koffie en kina op; meer dan % van al de gou- vernementskoffie (§ 28 en 48) wordt door hen geleverd. Ook in dit opzicht is dus de belangstelling in de vulkanen zeer groot. De bovenste laag van het Javaansche bergland, van 1 tot 10 M. dikte, bestaat overal uit verweerde rotssoorten en allerlei vulkanische uitwerpsels. Bovendien heeft de zeer weelderige flora eene zeer dikke laag vruchtbare, donkerbruine humus doen ontstaan. Deze aanzienlijke ver- weering is vooral het gevolg van het vochtig-warme kli- maat, gesteund door de dichte oerwouden, welke den bodem tot op steeds grooter diepte loswoelen en tevens den afvoer van de verweeringsproducten tegenhouden. Ze keert in alle tropische streken met een overeenkomstig klimaat terug en werd door Pumpelly met den naam seculaire verweering bestempeld; het verweerings- produet kreeg door von Richthofen den naam late- riet. De dunste verweerde laag vindt men op...”
20

“...102 acaciaboschjes met het graskleed af. Tan den Soembing zuidwaarts strekt zich het holenrijke kalkgebergte van Menorehuit, dat zich tot bijna 1000 M. verheft, tot dicht bij de zuidkust loopt en Kadoe en Djokjokarta van Bagelen scheidt. Aan den noordoostkant der vallei vindt meninhet noorden den ruim 2000 M. hoogen, woud- en bronnen- rijken Oengaran, welks hellingen met trachietblokken zijn bezaaid. Het Djamboe gebergte, welks schrale flora langzamerhand plaats maakt voor koffieplantsoenen, gaat van daar zuidzuidoostwaarts naar de beide hooge vulkanen aan den oostrand der vlakte. Over dit gebergte gaat de postweg van Magelang naar de merkwaardige, ovaalronde dalvlakte van Ambarawa, door de uit- loopers van den Oengaran en den Merbaboe bijna geheel omsloten. Ze ligt meer dan 400 M. boven de zee en is zeer waarschijnlijk door verzakking ontstaan; het groote moeras in het midden heet Rawah Pening. Door eene kloof in den noordoostrand ontsnapt het overtollige water...”