| 1 |
 |
“...V
146 1830. N°. 55.
Art. 15.
Bij de memorie van aangifte zal binnen de hoofdplaats van elk
der respective koloniën een domicilium worden gekozen voor alle
actiën en vervolgingen, welke krachtens deze publicatie tegen
degenen, welke het regt van successie en het regt van overgang
verschuldigd zijn, zouden kunnen worden ingesteld.
Art. 16.
De termyn, binnen welken de aangifte moet geschieden, zal zijn:
1. van acht maanden na den dag van het overlijden, wanneer
het sterfgeval heeft plaats gevonden in de bezitting waar de belas-
tingschuldige woonachtig is;
2. van twaalf maanden, wanneer het sterfgeval heeft plaats
gehad in eenig ander gedeelte van Amerika;
3. van achttien maanden, wanneer het sterfgeval heeft plaats
gehad in Europa;
4. van dertig maanden, wanneer het sterfgeval heeft plaats
gehad in Azië of Afrika.
Art. 17.
Wanneer het vruchtgebruik met den blooten eigendom mogt
worden vereenigd gedurende het leven van den vruchtgebruiker,
zal de termijn van...”
|
|
| 2 |
 |
“...1830. N®. 57.
167
Zoo is het, dat Wij hebben goedgevonden en verstaan te be-
palen en vast te stellen, zoo als geschiedt bij deze:
Art. 1. .
De vervoer van slaven uit de eene Nederlandsche West-Indische
bezitting naar de andere zal, te rekenen van den lsten January
des jaars 1831, niet anders geoorloofd zijn dan onder de bepa-
lingen , voorkomende in de navolgende artikelen.
De invoer van slaven in de Nederlandsche West-Indische be-
zittingen uit vreemde koloniën, landen en plaatsen blijft in het
algemeen verboden, met uitzondering evenwel van zoodanige
vreemde koloniën, landen en plaatsen, alwaar de directe invoer
van slaven uit Afrika niet is geoorloofd, overeenkomstig de voor-
schriften van art. 5 van het Koninklijk besluit van 17 September
1818, n°. 76, in verband met art. 3 van het Koninklijk besluit
van 6 Julij 1825, n°. 54.
De uitvoer van slaven van de Nederlandsche West-Indische
bezittingen naar vreemde koloniën, landen of plaatsen blijft mede
in het...”
|
|
| 3 |
 |
“...1838. N°. 90.
201
Art. 1.
De uit- en invoer der slaven van en naar de Nederlandsche
West-Indische bezittingen onderling wordt provisioneel opgeschort,
doch blijft aan den Gouverneur - Generaal voorbehouden om, in
bijzondere daarvoor vatbare gevallen, den bij dit artikel bedoelden
uit- en invoer van slaven toe te staan.
Art. 2.
De invoer van slaven uit de Nederlandsche West-Indische be-
zittingen uit vreemde koloniën en plaatsen, alwaar de directe
invoer van slaven uit Afrika piet geoorloofd is, zal alleen, krach-
tens eene speciale perpaissie van den Gouverneur-Generaal en,
voor zooveel de eilanden betreft, van de Gezagvoerders aldaar,
mogen geschieden.
Art. 3.
De uitvoer van slaven uit de Nederlandsche West-Indische
koloniën naar vreemde koloniën en plaatsen, waar de directe
invoer van slaven uit Afrika verboden is, blijft aan de bestaande
bepalingen onderworpen.
Art. 4.
Zoo dikwerf, strijdig met den inhoud van artt. 1, 2 en 3 dezer
wet, eenige in- of uitvoer...”
|
|