| 1 |
 |
“... (Stbl. N°. 42)
opgenoemd. 2)
Bovendien wordt den Koning het gebruik toegestaan van zo-
mer- en winterverblijven, tot wier onderhoud jaarlijks een bedrag
van ƒ50,000 op de staatsbegrooting wordt gebracht. 3).
' b Art. 27. •nBehOlve het inkomen uit de domeinen, door de wet van
26 Aug. 1822 afgestaan, en in 1848 door den Koning tot kroondomein
aan den Staat teruggegeven, geniet Koning willem II een jaarlijksch
inkomen van een millioen gulden uit ’stands kas.
I »Bij elke nieuwe troonsbeklimming wordt het inkomen der kroon door
de wet geregeld.))
deze wet werden de onder het kroondomein behoorende novale
tienden verruild tegen eenige bij het Loo gelegen landsdómeinen.
U ) Art. 28. »Den Koning worden tot des zelfs gébruik zomer- en winter-
verblijven in gereedheid gébracht, voor welker onderhoud echter niet meer
'‘dan ƒ50,000 jaarlijks ten laste van den lande worden gébrachte De hier
bedoelde paleizen zijn: éen te ’s Gravenhage, éen te Amsterdam en het
'Loo. Koninklijk Besluit...”
|
|
| 2 |
 |
“...299
(Stbl. n°. 130) óf de zoogenaamde wet van van Houten, op
wiens initiatief zij tot stand is gekomen, houdende maatregelen
tot het tegengaan van overmatigen arbeid en verwaarloozing van
kinderen. Bij deze wet wordt de arbeid van kinderen beneden 12
jaren verboden, behalve voor zoover het den veldarbeid en huise-
lijke en persoonlijke diensten betreft. Met deze regeling deed de
wetgever de eerste, doch schuchtere schrede op den weg, dien hij
reeds te lang had verwaarloosd. De ervaring heeft geleerd dat
de bestaande wet onvoldoende is, zoowel wat haren inhoud als
wat hare uitvoering betreft. Ook de regeering bleek daarvan over-
tuigd te zijn, toen zij in de zitting van 1881/82 eene nieuwe rege-
ling bij de Staten-Generaal indiende. Dit ontwerp is, na een ongun-
stig Yoorloopig Verslag, in den zomer van 1883 ingetrokken.
Ten slotte mogen wij niet met stilzwijgen voorbijgaan de rich-
ting, die in den laatstentijd zich geopenbaard heeft ten gunste
van coöperatie of de...”
|
|
| 3 |
 |
“... bevoegdheid des griffiers, niet verder gaat
dan eene medewerking voor provinciale belangen ? Het was dus
uoödig hierin te voorzien door bijzondere instructiën, die een con-
flict uit eene woordelijke opvatting van art. 41 te verwachten, zou-:
tien voorkomen.
De Grondwet laat het aan de provinciale wet over, te bepalen,]
hoevele vergaderingen van de Staten jaarlijks plaats zullen vin-j
den 3). Deze schrijft twee vergaderingen voor, de eene in den zomer, j
de andere in het najaar. Ook hier kan, evenmin als bij de Staten-1
Generaal, willekeur plaats vinden. De Provinciale Staten komen]
zonder voorafgaande oproeping op den eersten Dinsdag in Juli]
en op den eersten Dinsdag in November bijeen 4). Hunne verga-j
deringen worden in de hoofdsteden — waar ook de zetel van het |
provinciaal gouvernement is — gehouden 5). Ieder dezer vergade-l
') Art. 47 en 39 prov. wet. *) Art. 41 ibid.
s) Art. 126, 1ste lid. jiDe staten vergaderen zoo dikwerf in het jaar als
de wet bepaalt, en bovendien...”
|
|
| 4 |
 |
“... provinciale toestanden. De departementale besturen waren
te gering in ledental, om daaruit nog een collegie te benoemen,
dat de dagelijksche leiding op zich kon nemen. Eerst in de
Grondwet van 1814 wordt weder van hen melding gemaakt, se-
dert welken tijd zij ook onafgebroken bestaan hebben.
In alle provinciën, met uitzondering van éene, bestaat het col-
legie van Gedeputeerde Staten uit zes personen; in Drente alleen
telt het vier leden. Zij worden door en uit de Provinciale Staten
voor den tijd van zes jaren gekozen, terwijl ook voor hen het
beginsel van herkiesbaarheid geldt 1). Het is dus een hoofdver-
eischte, dat zij ook leden der Staten zijn. Hunne betrekking houdt
op tegelijk met het lidmaatschap. De gewone tijd voor de verkie-
zing is de eerste Woensdag in de maand Juli a), en dus onmid-
dellijk na de opening der zomer-vergadering van de Staten zelven,
die, gelijk wij boven zagen, op den eersten Dinsdag in Juli eenen
aanvang neemt. Eene tusschentijds ontstane vacature...”
|
|
| 5 |
 |
“...345
De Gedeputeerde Staten ontvangen eene jaarwedde, die overal
.op.ƒ 2000 is bepaald. Van deze bezoldiging wordt echter de helft
beschouwd als vast inkomen, terwijl het overblijvende geacht wordt
voor presentiegeld te strekken, dat om de drie maanden tusschen
•de leden verdeeld wordt, naar gelang der vergaderingen door hen
bijgewoond l *). Alleen hij, die wegens de eene of andere commissie,
hem door Gedeputeerde Staten opgedragen, afwezig is gebleven,’
behoudt zijne aanspraak op het presentiegeld 3).
De Commissaris des Konings bekleedt ook in het collegie van
Gedeputeerde Staten den voorzitterszetel, en heeft daarin stem *).
De griffier der Staten voert er de pen 4 *).
Ter voorziening in het geval dat in twee achtereenvolgende
vergaderingen de stemmen staken, terwijl eene beslissing volstrekt
gevorderd wordt, wijzen de Provinciale Staten in hunne zomer-
vergadering een lid aan, hetwelk voor dit onderwerp zitting
neemt 6):
*De Gedeputeerde Staten zijn de eigenlijke...”
|
|
| 6 |
 |
“...493
No. IV. (biz. 55).
De census is voor het platteland in de provinciën N. Brabant, Gel-
derland, Overijsel, Drente en Limburg op ƒ 20 bepaald. Het platteland
van Groningen, N.- en Z.-Holland moet f 32, dat van • Friesland f 30,
en dat van Utrecht f 24 betalen. De census der steden, behalve Amster-
dam, Rotterdam en ’s Gravenhage, is naar gelang der bevolking f 30
f 40, f 50, f 60 en f 70.
In de zitting 1872/73 is door de regeering een wetsontwerp ingediend
ter herziening van den census, dat echter door de Tweede Kamer is ver-
worpen.
Bij de miuisterieele crisis welke in den zomer van 1879 voorkwam,
heeft het ministerie kappeyne-tak te kennen gegeven, dat het eene
Grondwetsherziening noodzakelijk achtte, vooral met betrekking tot die
gedeelten van de Grondwet, waarin sprake is van de uitoefening van de-
kiesbevoegdheid en defensie. Wat de kiesbevoegdheid betreft, zou alles
wat tot den census betrekking heeft door de kieswet geregeld worden^
waardoor de mogelijkheid...”
|
|