Your search within this document for 'ontvanger' resulted in nine matching pages.
1

“...137 middelen op. Onder Kakel V kwam eindelijk de Raad van finan- ciën tot stand, die met den Geheimen Raad en den Raad van State een der belangrijkste regeeringscollegiën vormde »). Hij bevor- derde vooral de eenheid in het bestuur der geldmiddelen, daar de drie Rekenkamers, van Rijssel, Brussel en ’s-Gravenhage, weder door MARIA VAK BOüRGONDiË opgericht, aan dezen Raad rekenplich- tig waren. In de eerste jaren van de Republiek der Vereenigde Nederlanden was aan den Raad van State het toezicht op het be- heer der geldmiddelen opgedragen. In 1607 werd eindelijk de Rekenkamer der Generaliteit opgericht, waartoe elke provincie twee afgevaardigden benoemde. Hare taak was het te zorgen, dat elke provincie hare quota betaalde; verder was zij belast met het toezicht op de ontvangsten der inkomende en uitgaande rechten met het nazien der rekeningen van den ontvanger-generaal en van de bijzondere ontvangers der generaliteitsmiddelen. Eindelijk hield zij het oog op de...”
2

“...- partijdigheid bij het doen van benoemingen bevordert. Zoo be- komt men tegenwoordig aanspraak, om bij de posterij geplaatst te worden, of tot notaris, rijksontvanger, of ontvanger van de re- gistratie benoemd te worden, ten gevolge van het afleggen van een examen in de vakken, waarvan de kennis voor die betrekking een vereischte is. Over de examens voor de diplomatie spraken wij reeds boven 2). Ten opzichte van een gelijktijdig bekleeden van verschillende ambten geldt het koninklijk besluit van 5 Nov. 1851 (Stbl. No. 141). Een rijksambtenaar mag naast het zijne geen ander rijksambt bekleeden, waarvan de bezoldiging, waaronder ook de gewone en buitengewone' inkomsten en voordeelen zijn begrepen, f 300 te boven gaat, dan met machtiging des Konings; evenmin mag de rijksambtenaar eenig ambt aannemen, dat uit de provinciale of gemeentelijke of waterschapskas bezoldigd wordt, indien de benoeming zelve niet door den Koning geschiedt. Geschiedt dit niettemin, dan wordt hij beschouwd als...”
3

“...’216 van zegels of gebruiken van vervalschte, maar ook op de ontdui- king van het zegelrecht. Zij stelt dengene die de betaling ont- vangt aansprakelijk, terwijl zij hem tevens de bevoegdheid geeft de kosten van het zegel op den schuldenaar te verhalen. 2. Registratierecht. Voor verscheidene acten wordt gevorderd eene inschrijving in een register bij den ambtenaar, die daarmede belast is (de ontvanger van registratie), van welke inschrijving op de acte zelve melding wordt gemaakt. Hiervan wórdt een zeker recht, registratierecht, betaald. Dit recht is van Franschen oorsprong en wordt hoofdzakelijk door de wet van 22 Frimaire an VH (12 Dec. 1798) x) beheerscht. Na de afscheiding van Frankrijk werd het bestaande belasting- stelsel, en daaronder het registratierecht, gehandhaafd krachtens besluit van den Souvereinen Vorst van 23 Dec. 1813 (Stbl. n°. 17). Bij de wet van 11 Febr. 1816 (Stbl. N°. 14) werd o. a. in art. 25 bepaald, dat met 1817, of wel gelijktijdig met de...”
4

“... stemmen volgens eed en geweten en zonder ruggespraak met de kiezers; -zij onderzoeken de geloofsbrieven hunner medeleden; zij hebben het recht van amendement en van initiatief; zij zijn niet gerechtelijk vervolgbaar wegens de door hen in de vergade- ring geuite stem of meening. Ofschoon deze bepaling (art. 47 ge- meentewet) de vrijheid van spreken, vooral in den kleineren kring van den gemeenteraad onontbeerlijk, op afdoende wijze schijnt te waarborgen, heeft de rechterlijke macht onderscheid gemaakt of de stem of meening al dan niet was geuit »over een in den raad in beraadslaging zijnd onderwerp.” Tot deze onderscheiding geeft de letter van art. 47 evenmin aanleiding als de geest * 2). Voor den geregelden gang van het bestuur zijn verschillende ambtenaren noodig. Van twee hunner, nl. den secretaris en den ontvanger, worden de wijze van benoeming en de werkkring door de gemeentewet voorgeschreven 3). V Art. 54 en volg. en art. 166 gem.wet. 2) Zie Mr. J. T. Buus, dé grondwet...”
5

“... betrekkingen, ook op hen toepasselijk zijn. Terwijl de secretaris de pen voert zoowel in de zitting van den raad als in het collegie van burgemeester en wethouders, alsmede desgevorderd in alle commissiën, terwijl hij alle stukken, die öf van den raad öf van het dagelijksch bestuur uitgaan, met den bur- gemeester onderteekent, en zich op zijne secretarie met al die werkzaamheden onledig houdt, welke hem bij zijne instructie of door den burgemeester worden opgedragen, is de ontvanger met het beheer der geldmiddelen belast, vordert hij alle inkomsten van de gemeente in, en doet hij alle uitgaven, waarvoor hem bevel- schriften of ordonnantiën van betaling worden gegeven. Jaarlijks wordt door hem aan burgemeester en wethouders rekening en verantwoording van zijn beheer gedaan, en zoo dikwijls zij het vorderen inzage van de kas gegeven. Als rekenplichtig ambtenaar is hij gehouden een zakelijken borgtocht te stellen, welke in den regel althans een tiende van de ontvangst, doch nimmer...”
6

“...371 te schrijven ? In zulk een geval moeten Gedeputeerde Staten die uitgaven* * welke niet tot de verplichte behooren, zooveel vermin- deren, dat èn de door de wet opgelegde kunnen worden bestreden, èn het evenwicht tusschen inkomsten en uitgaven hersteld zij 1). Gedeputeerde Staten hebben dus in dit geval dezelfde bevoegdheid tegenover de gemeente als, naar wij boven zagen, aan den Koning is toegekend tegenover de provincie. Met betrekking tot de rekening en verantwoording merken wij op, wat wij reeds boven hebben aangeteekend, dat de ontvanger F met het geldelijke beheer belast is en dat hij daarvoor rekenplich- tig is aan burgemeester en wethouders. Wederkeerig zijn dezen aan den raad rekening en verantwoording schuldig. Overigens gelden ook daarvoor dezelfde beginselen van openbaarheid als voor de begroeting. Ook zij kan door ieder ingezetene ingezien worden, en wordt algemeen verkrijgbaar gesteld. Zij moet binnen zeven maan- den, na afloop van het jaar, waarop zij...”
7

“...378 worden 1). Van de ontvangst daarvan geven zij binnen veertien da- gen bericht aan den raad. Wordt daarbij niet te kennen gegeven, dat de verordening aan den Koning ter vernietiging of schorsing voorgedragen is, dan kan de afkondiging veertien dagen na de dagteekening van het bericht van ontvangst plaats vinden. De Koning moet binnen twee maanden zijne beslissing kenbaar ma- ken. Is in dien tusschentijd geene vernietiging of schorsing gevolgd dan wordt het er voor gehouden, dat hij het gevoelen van Gede- puteerde Staten niet deelt 2). Dat het bedrag der presentiegelden door hen wordt vastgesteld, en dat zij ook de jaarwedden van den burgemeester, de wethou- ders, den secretaris en den ontvanger onder nadere goedkeuring des Konings bepalen, hebben wij boven reeds aangeteekend. oefenen Gedeputeerde Staten eene strafrechtelijke rechtsmacht uit over de leden van den raad. Heeft toch een van dezen gehandeld in strijd met de wet, door deel te nemen aan on- derhandsche...”
8

“...506 347, 378. - Toezicht van — op de gemeentebesturen. 375 v. Geestelijken. 160. Geheim der brieven. 40. Geheime stemming. 56. Gehoorzaamheid aan de wet. 58. Geldleeningen. 202 v. Gelijkheid voor de wet. 3, 33, 246. Geloofsbrieven. 163, 332, 355 363, 473. Gemeente. 22. 349 v. - Gren- zen. 22. - Vereeniging of split- sing. 22, 322, 323, 352 v. — Po- litieke toestand tijdens de repu- bliek, enz. 349 v. Gemeentebesturen. 353 v. Sa- menstelling en inrichting 353 v. — Bevoegdheid. 365, 375. — Toezicht van de Prov. staten op de - 339, 375-379. Gemeentelijke secretarie. 375. Gemeente-ontvanger. 363, 364. Gemeente-politie. 239, 360. Gemeenteraad. 353 v. — Le- dental, vereischten voor het lid- maatschap, enz. 353 v. — Voor- zitter van den — 356. — Ver- gaderingen van den — 361 v. — Bevoegdheid van den — 365— 375. Gemeente-secretaris. 363, 364. Geneeskundig staatstoezicht. 309, 310. , Gerech'telijke geneeskunde. 312. Germaansche volkeren. 2. Geschillen van...”
9

“...510 gen. H 263. — lager — 257— 264. — openbaar en bijzonder — 258, 267. — hooger — 269 — 273. — middelbaar — 264—269. — neutraal — 259, — Staatszorg voor het — 18, 256 v. — in Ned.-Indië. 409, 461 vlg. - in West-Indië. 480. Onechte kinderen. 24, 25, 27. Onschendbaarheid des Konings. 4, 8, 9, 18. 82 v. — der wetten. 192—193. — van den Regent. 111. — der woning. 37. Ontbinding der vertegenwoordi- ging. 4, 8, 9, 85 v. 175,470,481, 482. Onteigening ten algemeenenutte. 38, 59, 457. Ontgrondingen. Zie droogma- kerijen. Ontslag van rechterlijke ambtena- ren. 229, 230. — van ministers. 113. Ontvanger. Gemeente — 363, 364. Onvoorziene uitgaven. 198. Oorlog. Departement van — 126 tf —127. — in Ned.-Indie. 410. Oorlogsverklaring. 95—96, 402. Oost-Indië. Nederlandsch — 283. 390, 395 v. Oost-IndischeCompagnie. 395, 430. Opcenten. 219. Openbaarheid. 4, 9, 12, 13, 37, 56, 171, 331, 362, 370, 472, 482. Openbaar ministerie. 230,231, 359. — in Ned.-Indië. 449, 450...”