| 1 |
 |
“...54
Onze Grondwet beperkt het kiesrecht door den census, d. i. zij:
bepaalt een zeker bedrag van belasting, welke men moet betalen,,
om stembevoegd te zijn.
Welk beginsel lag bij de invoering van den census tot grond-
slag ? Zonder twijfel hangt zij samen met de maatschappelijke
scheiding van bezittenden en niet-bezittenden. Volgens de com-
missie van 17 Maart 1848, moet de census strekken om, bij
gebreke van ander bewijs, als teeken van vermoedelijke bekwaam-
heid te dienen.
De algemeene ontwikkeling der natie, en daarmede in verband
ook de belangstelling in de publieke zaak, is in den laatsten tijd
in ons vaderland aanmerkelijk toegenomen. Daarmede gaat hel
streven naar uitbreiding van het kiesrecht gepaard. Het besef
dat sniet een fortuin van zekere grootte, maar het persoonlijk lid-
maatschap van den Staat de grond is der staatsburgerlijke be-
voegdheid”, * *) dringt hoe langer hoe meer door ook in die klas-
sen, voor welke de census onbereikbaar 2) is. Er moet...”
|
|
| 2 |
 |
“...256
lijk gezegd inwendig bestuur omvat eene groote reeks van onder-
werpen.
I. Het onderwijs.
Men stelle zich voor dat de Staat zijne zorg aan het onderwijs
onthield, of in zeer beperkten zin verwezenlijkt^. Het peil der be-
schaving zou alsdan zeer dalen. Wellicht zouden de gegoede klas-
sen voor zich zelve weten te zorgen, doch de groote menigte zou
geen onderwijs ontvangen, dan wat haar uit liefdadigheid, voor-
namelijk door de kerkgenootschappen, wierd toebedeeld. Uit zulk
een toestand zou groote onwetendheid voortvloeien wegens ont-
stentenis van onderwijs aan den eenen kant, terwijl aan den an-
deren kant het gegeven onderwijs eene groote mate van sociale
afhankelijkheid en aanwakkering van kerkelijke twisten zou ver-
wekken. Zeer gevaarlijk zou het zijn, de proef te nemen, in hoe-
ver de maatschappelijke krachten voldoende zouden zijn om de
voorwaarden der verstandelijke en zedelijke ontwikkeling te ver-
zekeren. Uit het wezen der maatschappij eenerzijds en uit...”
|
|
| 3 |
 |
“...276
door de synode vastgesteld, aan de goedkeuring des Ronings wor- j
den onderworpen, en werden de leden van het provinciaal en klas- .
sicaal kerkbestuur door den Koning benoemd uit eene voordracht ]
door kerkbesturen ingediend. Zoo werd ook voor de wettigheid ;
van het beroep eens leeraars de koninklijke approbatie geëischt.
Eindelijk hadden de Grondwetten van 1815 en 1840 den Koning j
opgedragen, toe te zien, dat de gelden, die uit s lands kas voor l
den openbaren godsdienst werden besteed, tot geen ander doel ge-
bruikt werden, dan waarvoor zij bestemd waren x). Dientengevolge ’
werden provinciale collegiën van toezicht in alle provinciën in
het leven geroepen, waarin de gouverneur der provincie (thans-
commissaris des Ronings) en twee leden van Gedeputeerde Staten
zitting hadden, terwijl ook de andere leden door den Koning be-j
noemd werden. Bovendien werden de reglementen op de admini-
stratie der kerkelijke fondsen van regeeringswege vastgesteld.
Het algemeen...”
|
|
| 4 |
 |
“... der hervormde kerk behartigd door de
algemeene synodale commissie, die uit den voorzitter, vice-voor-
zitter, den secretaris, drie predikanten, drie ouderlingen, zooveel
mogelijk uit de verschillende kerkressorten door de synode te be-
noemen, bestaat; eindelijk heeft ook éen hoogleeraar in de godge-
leerdheid, beurtelings aangewezen door de faculteit van eene der
hoogescholen, daarin zitting.
Zij vergadert tweemalen ’s jaars, eens in het vooijaar en eens
in het najaar, te ’s-Gravenhage. Zij bereidt de werkzaamheden der-
synode voor, en is aan haar verantwoordelijk. Ook spreekt zij
recht in kerkelijke zaken in het hoogste beroep.
De gemeenten zijn vereenigd tot klassen; de gezamenlijke klas-
sen in eene provincie vormen een provinciaal ressort; in elk van
deze is een provinciaal kerkbestuur; in ieder klassicaal ressort een
klassicaal bestuur. Beiden bestaan uit dienstdoende predikanten
en ouderlingen, die benoemd worden door de klassicale vergade-
ringen, welkejaarlijks...”
|
|