| 1 |
 |
“...8
maar verschoven slechts de uitvoering. Niet dan in het uiterste
oogenhlik, toen de afscheiding van België haar volledig heslag
had gekregen, en de daardoor veranderde omstandigheden eene her-
ziening noodzakelijk maakten, gaf de regeering hare toezegging.
Met levendige belangstelling werden de daarop betrekkelijke
wetsontwerpen tegemoet gezien. Groote teleurstelling moest de
natie echter ondervinden, toen zij ontwaarde, dat de regeerings-
ontwerpen van 1840 niet anders inhielden, dan zoodanige wijzigingen
als volstrekt noodzakelijk waren, ten gevolge van de afscheiding van
België *) Noch van de ministerieele verantwoordelijkheid of van de
onschendbaarheid des Konings, noch van het recht van amende-
ment, noch van het recht van ontbinding der Kamers of van eene
andere regeling van het kiesrecht was sprake.
Nauw had de regeering hare ontwerpen aangeboden of vijf leden
der Tweede Kamer: l. c. luzac, w. A. baron schimmelpenninck
VAN DÉK OYE, J. CORVEE HOOFT, E. W. VAN...”
|
|
| 2 |
 |
“... sedert 1815, het antwoord op de troonrede achterwege
bleef. Hierdoor niet ontmoedigd, besloten nu negen leden der
Tweede Kamer: de heeren j. k. thobbecke, l. c. luzac, e. w.
VAN DAM VAN ISSELT, J. H. graaf VAN EECHTEEEN, J. M. DE KEM-
PENAEE, L. D. STORM, B. WICKERS, S. baron VAN HEEMSTRA en
s. h. anemaet, den 9en Dec. 1844, een voorstel in te dienen tot
eene volledige herziening der grondwet. Dat voorstel, bekend onder
den naam van het voorstel der negen mannen, voldeed aan de
rechtmatige eischen. De ingenomenheid waarmede het door de
l) De vijf regeerings-voorstellen werden later door acht andere aange-
vuld. Langs dezen weg werd de splitsing der Staatsbegrooting in eene
van gewone uitgaven, welke voor tien jaren werd vastgesteld, en eene
buitengewone, welke jaarlijks in overweging werd genomen, opgeheven,
om voor eene algemeene begrooting voor twee jaren plaats te maken.
Tevens werd de strafrechterlijke ministeriëele verantwoordelijkheid in de
grondwet gebracht en eene...”
|
|