Your search within this document for 'charter' resulted in six matching pages.
1

“... charter voor beide gelijk te verordenen. De superioriteit van het Rijk op de provincie is veel beter te adapteren dan den toestand dien wij hier hebben. De geachte spreker *) bestreed dan ook hetdenk- !) Kappeyne....”
2

“... lees ik: „Volkomen juist is het, dat de voorgestelde artt. 148 en 152 ten deze aan den toekomstigen rijkswetgever volle vrijheid laten. Heeft regeling ingevolge art. 152 plaats gehad bij koloniale verordening, de laatste zal slechts zoo lang gelden tot dat de wet in het onderwerp vóórziet/’ Dat is, dunkt mij, niet raadzaam. Men moest afbakenen, wat de wet, wat het Koninklijk besluit, en wat de koloniale verordeningen zullen regelen, maar men moet niet laten wijken, na eenmaal geregeld te hebben; want daaruit moeten in het vervolg bedenkelijke conflicten ontstaan, die door afbakening konden worden voorkomen. De heer Kappeyne van de Coppello op 11 Mei: Doch — meent de geachte afgevaardigde uit Delft — men had liever de Fransche wet van 1832 tot voorbeeld moeten nemen. Hoe is dat mogelijk? In het charter van 1830 was bepaald dat het regeringsbeleid voor de koloniën zou worden geregeld door bijzondere wetten, en nu is die wet van dat voorschrift de uitvoering. Hoe kan men dus...”
3

“...281 Hfdst. IV. Vertegenw. stelsel. zoodanige vrijheid in naam en niet in wezen had geschonken aan de negers, zou ik mij daarover schamen. Neen, de vrijheid is verkregen en kan niet meer worden ontnomen; het eenige dat moet worden ge- handhaafd is het staatstoezigt als maatregel van politie tot wering van vagebondage. Wel is waar kan de neger gedurende dat toezigt geene burgerschapsregten hebben, maar daaruit volgt- dat de wetgever, die deze uitsluiting zoo stellig in de wet deed opnemen, reeds wilde dat de toekenning van burgerschapsregten aan anderen dan de vrijverklaarde negers zou volgen, anders toch ware de opname van deze uitzondering in de wet overbodig geweest. Doch — meent de geachte afgevaardigde uit Delft — men had liever de Fransche wet van 1832 tot voorbeeld moeten nemen. Hoe is dat mogelijk? In het charter van 1830 was bepaald dat het regeringsbeleid voor de koloniën zou worden geregeld door bijzondere wetten, en nu is die wet van dat voorschrift de...”
4

“.... De Minister heeft tegenover elkander gesteld Jamaica en Demerary. Het is algemeen bekend, en het is gisteren ook gebleken uit een door mij voorgelezen gedeelte van een brief, dat het charter van Jamaica zeer slecht werkt, en dat op Demerary, waar de oud-Hollandsche staatsinstellingen in beginsel nog heerschen en...”
5

“...Art. 117 (S.) 138 (C.) 616 De opsteller van dit voorstel heeft daarover niet nagedacht, en niet begrepen dat, wanneer de politieke vrijheid in volle mate aan die bevol- king was toegekend, dit haar weinig zou baten indien zij verstoken bleef van de veilige uitoefening van hare burgerlijke regten. Dat was een verzuim in mijn oog, en daarom heb ik getracht te doen uitkomen dat in eiken Staat wel degelijk de burgerlijke vrijheid moet worden gevestigd en gehandhaafd, doch dat het eene gansch andere zaak is aan zoodanigen Staat ook de politieke vrijheid toe te kennen wanneer hij nog niet is opgeklommen tot zekeren trap van staatkundige beschaving. Dit is zoo zeer bewaarheid, dat wij, wanneer wij de geschiedenis raad- plegen , op elke bladzijde het bevestigd zien. In Engeland was men reeds m den aanvang van de dertiende eeuw, in 1213, bedacht om door middel van het groot charter burgerlijke vrijheid te vestigen, en het duurde meer dan vier en een halve eeuw, tot aan het jaar...”
6

“... sedert onder alle lotsverwisselingen tot aan ’s Konings besluit van 14 September 1815, n». 58, houdende Reglement op het beleid der regering, het justitiewezen, den land- bouw en de scheepvaart in Suriname (Gouvernementsblad van Suriname 1816, n°. 2) de grondwet of het fondamenteel charter der kolonie heeft uit- gemaakt. Onder vigueur van dat octrooi bereikte Suriname eenen hoogen trap van welvaart en bloei. De voorname oorzaak van dien voorspoed moet gezocht worden in het uitnemend slagen der koffijteelt en de hooge prijzen van dat product, gevoegd bij de ruime beschikking over arbeid, die door den ge- regelden aanvoer van slaven den eigenaars van de plantages verschaft werd. Op het einde der vorige eeuw deden zich nogtans de sporen van verval, in verband met de staatkundige gebeurtenissen, meer en meer waarnemen, en toen na een Engelsch tussohenbestuur van 1804 tot 1816 de kolonie aan Nederland terugkeerde was zij op treurige wijze achteruitgegaan en slechts eene flauwe...”