Your search within this document for 'dan' resulted in twelve matching pages.
1

“... door Portugeesche Joden die in 1664 over Cayenne uit Brazilië overkomen, dat Nederland had verloren. Deze Joden krijgen van de Engelschen belangrijke voor- rechten en, met den tropischen landbouw vertrouwd, worden zij aan- zienlijke plantagebezitters en kapitalisten en zij vormen een notabele kern van de Surinaamsche burgerij. Bij giftbrief van 2 Juni schenkt Koning Karel II van Engeland Willoughbyland aan Sir Francis* *), maar slechts eenige jaren is deze in ongestoord bezit van het land, dat de Zeeuwsche admiraal Abraham Crynssen op 27 Februari 1667 in bezit neemt na de verovering van het houten Willoughby-fort, dat van toen af de naam van Fort Zeelandia zou dragen tot den huidigen dag. Meer dan twee en een halve eeuw in bezit van Nederland (met enkele tusschenpoozen) neemt dit bijna vijf malen grootere gebiedsdeel toch een bescheiden plaats in het groote vasteland van Zuid-Amerika in tusschen landen als Argentinië, Brazilië, Chili, Peru, Venezuela en deelt zij dit lot...”
2

“...SURINAME 5 geen mensch betreden. De talrijke door onze geestkrachtige voorvade- ren aan het oerwoud ontrukte eertijds schatten af werpende cacao-, suiker-, koffie- en katoenplantages met haar sluizen, kanalen en ma- chinerieën werden prijsgegeven aan de slooping door den machtigen tro- pischen plantengroei en den tand des tijds. Suriname behoort met de andere overzeesche gebiedsdeelen volgens de Grondwet van 1922 tot het Koninkrijk der Nederlanden. Van kolonie wordt niet meer gesproken. Het bijna vierkante stuk grondgebied wordt aan drie zijden door water omspoeld, aan weerszijden door de rivieren Corantijn (W.) en Marowijne (O.), noordelijk door den Atlantischen Oceaan, terwijl het Toemoek Hoemak gebergte het van Brazilië scheidt. Het ligt tusschen 54° en 58° westerlengte van Greenwich en 2° tot 6° noorderbreedte. De grenzen zijn nog niet juist afgebakend. Wat de oostelijke grens betreft, is nog niet uitgemaakt of de Itanie, dan wel de Marowijne de voortzetting van de...”
3

“... opgehouden te bestaan en deel uitmaakte van Esseqnebo. Het wa- ren voornamelijk Zeeuwsche kooplieden als Jan van Pere, Van Rhee, De Moor, Lampsins, De Vries en Van Hoorn, die de kust van Guyana en de daarbij gelegen eilanden hadden laten bevaren onder het bevel van Rijk Hendriksz en andere schippers, waaromtrent hun bij Octrooi van 10 Juli 1602 vrijdom van convooi werd toegestaan. In het laatst van de 16de eeuw schijnt men zich reeds in Pomeroon te hebben gevestigd, de landstreek tusschen de rivieren Esseqnebo en Monica, waartusschen de rivier Pomeroon stroomt. Deze rivier, in de oude stukken Bouweron, Bauron, of Bauroma, later Poumeron en ein- delijk door de Engelschen Pomeroon genaamd, is veel kleiner dan de Esseqnebo en valt eenige mijlen ten N.W. van de monding van laatst- genoemde bij Kaap Nassau in zee. De weinig beduidende nederzetting behoorde stilzwijgend onder het Commandeurschap van Esseqnebo; slechts enkele malen (van 1657—1670) en in 1686 werd daarover een...”
4

“... niet gehad. Gevoegd bij de opstanden der slaven en het vermoorden van bewoners, sleepte des- tijds een noodlottige ziekte vele honderden planters, soldaten en ma- trozen soms onmiddeUijk na hun komst ten grave en de kolonie kwam in een kwaden reuk. Daaraan herinneren ons de nu verouderde uitdruk- kingen: „loop naar de Berbiesjes” en „hij is naar de Berbiesjes". Ten slotte de kolonie Demerary1), welke haar naam aan de ge- lijknamige rivier ontleent. Thans uit een handelsoogpunt de belang- rijkste en meest bekende, is deze rivier vergeleken met de andere ri- vieren een der kleinste, daar ze niet meer dan 200 mijlen lang is. Tot 1746 had men een eenvoudige handelspost in Demerary. Commandeur Storm van 's Gravensande was de eerste die in dat jaar de aandacht van de Bewindhebbers op het gewicht van Demerary als een nieuwe kolonie, nevens en onder Essequebo vestigde, daar hij de gronden daar bij uitstek vruchtbaar en geschikt voor het aanplanten van suiker en koffie oordeelde...”
5

“... te richten; het tegenwoordige Molenplein ontleent aan dit bedrijf zijn naam. In het midden der XVIIIe eeuw was de Overzijde reeds meer „be- timmerd” dan de Willemstad en stonden er op Pietermaai en Scharlo reeds verscheidene huizen. Bewindhebberen in Patria echter achtten al die bebouwing der buitenwijken „prejucidiabel” voor de verdediging der stad en voelden meer voor uitbreiding der ommuurde oude vestiging. De bemoeiingen van Rodier in het belang van het onderwijs hadden o.a. tot gevolg dat onder zijn bestuur ook in de buitenwijken particu- liere scholen werden toegelaten, twee in Otrabanda en één op Pieter- maai. In 1763 kwam de Luthersche kerk aan den „Westwal" gereed, welk gebouw in 1804 door de Engelschen in brand werd geschoten en niet is hernieuwd; in 1825 kwam de vereeniging tot stand tusschen Luther-...”
6

“... geschiedenis der krijgsbedrijven op Cura9ao. Een vrij hooge berg en een enge kloof aldaar leenen zich tot verdediging te- gen een uit het N.W. op de stad aanrukkenden vijand; Cassarts plun- derstoet echter heeft men er in 1713 niet vermogen tegen te houden. De dichter bij de stad gelegen versterkingen de Waakzaamhéid en de Wreker, op den berg van Welgelegen, vielen in 1804 aan de En- gelschen in handen, die, alvorens ze weder te ontruimen, na de neder- laag van 22 Februari, Malpais hadden platgebrand. Sedert de beëindiging der „asientos” hebben eigen schepen der Com- pagnie slaven op Cura9ao aangebracht van St. George d’Elmina, hoofd- plaats harer vestiging ter kuste van Guinee. Deze „Minasche” negers hadden een slechten naam, als zijnde weerspanniger dan de vroeger aangevoerde van Loango, de Congo en Angola. Op 5 Juli 1750 trokken een aantal slaven — waaronder vele Mina- sche — uit de stad naar Hato, waar zij den volgenden dag den factoor (plantagebeheerder) en diens vrouw...”
7

“...32 DE BENEDEN- EN BOVENWINDSCHE EILANDEN op Cura?ao. Zij moesten zich evenwel spoedig overgeven; de huisonder- wijzer op Klein Sta Martha was in brooddronkenheid gedood, terwijl de imping van het oproer aan den kant van het gezag aan drie personen het leven had gekost. Bijzonder verdienstelijk had zich de pastoor Schinck gemaakt, die met groote onverschrokkenheid met de negers in hun kamp onderhandelingen had gevoerd. Het oproer eindigde met een algemeen pardon, maar niet dan nadat een dertigtal muiters waren ter dood gebracht. Het is onder den Gouverneur van Raders geweest dat voor het laatst ernstige pogingen zijn aangewend om naast die van oranje-appelen en pinda, resp. dagteekenend uit de XVIIe en de XVIIIe eeuw, anderen cultures — pita, katoen, aloë, cochenille — tot ontwikkeling te brengen. Ook het sigarenmaken en het vlechten van stroohoeden werd onder het bestuur van genoemden bewindsman ter hand genomen. Het hoeden- vlechten kwam onder Rammelman Elsevier tot...”
8

“...HET EILAND ARUBA Van dit kleinste der benedenwindsche eilanden is de naam vermoe- delijk ook alweder ontstaan uit de verbastering van een Indiaansch woord. Wel doet de oudere Spaansche schrijfwijze Oraba — tot nu toe bij de Engelschen in gebruik gebleven — aan een afleiding denken van oro = goud, maar de Spanjaarden hebben in 100 jaar geen goud op het eiland gevonden en de Hollanders zijn zich gedurende de volgende 100 jaar van het bestaan van dat metaal op het eiland evenmin bewust geweest. Aruba heeft nog minder dan Bonaire een eigen geschiedenis; het was niet zooals laatstgenoemd eiland een voorpost van Curacao, integendeel, het lag uit een verkeersoogpunt achter het hoofdeiland, benedenwinds en op twee maal zoo grooten afstand. Overblijfselen uit den praecolumbiaanschen tijd zijn op Aruba zeer verspreid en in groot aantal aangetroffen, steenen wapenen en gereed- schappen, opschriften en ook grafurnen. Uit het rapport van Juan de Ampües blijkt dat de inboorlingen...”
9

“...HET EILAND SABA 57 industrie. Op Saba is het percentage der mannelijke bevolking nog klei- ner dan op de beide andere Bovenwindsche eilanden; de op het eiland levende gezinnen worden voor een groot deel onderhouden door de in den vreemde werkende mannen. De vrouwen doen veel aan het ver- vaardigen van kantwerk....”
10

“... Engelschen veroverd, werd het eiland in 1814 definitief aan Engeland toegewezen; het vormt thans één Gouverne- ment met het nabij gelegen veel grootere Trinidad. De hoofdplaats is Scarborough. Tobago is het eiland van Robinson Crusoe. Of Daniel Defoe tot het schrijven van zijn in 1719 verschenen boek is geinspireerd geworden door de avonturen van Alexander Selkirk op Juan Fernandez, dan wel door die van Hendrik Smeeks, aan de Westkust van Australië — of door het verhaal van hun beider lotgevallen — het eiland waarop hij zijn held liet aanlanden was geen ander dan Tobago. Het fictieve ver- haal van Crusoe's 28 jarig verblijf heeft zoozeer op de verbeelding ge- werkt, dat men den bezoeker van Tobago de grot weet aan te wijzen waar Robinson den stervenden ouden bok vond — en zelfs de voet- afdrukken der wilden in het zand....”
11

“...DE EI JANDEN ST. THOMAS, ST. CROIX EN ST. JOHN 63 waren alweder van Nederlandsche afkomst. St. John is het kleinste der drie eilanden, het ligt zeer dicht bij St. Thomas en heeft een haven, ruimer en dieper en misschien ook veiliger dan die van eerstgenoemd eiland. Het is merkwaardig dat een der allerschoonste havens van West- Indië — de Cora 1-b a y — nimmer voor het regelmatige handels- verkeer van beteekenis is geworden, maar de kolonisatie onzer drie eilanden heeft zich voltrokken in een tijd toen het verkrijgen van tro- pische landbouwproducten het hoofddoel was en de havenaccomodatie niet aan hooge eischen behoefde te voldoen. Wederom werden de aangelegenheden der Compagnie opnieuw ge- regeld, in 1732 door een voorloopig, in 1734 door een definitief nieuw octrooi. Het tusschenliggende jaar 1733 was er een waarin belangrijke gebeurtenissen plaats hadden. Ten eerste werd in dat jaar St. Croix, het grootste der drie eilanden, in 1695 door de Franschen verlaten en...”
12

“... onderhandelingen van destijds; Denemarken had in 1733 moeten beloven St. Croix niet zonder de toestemming van Frankrijk aan een anderen staat over te doen. Ook het voorloopige verdrag van 1902 leidde niet tot den afstand der eilanden aan de V. S.; ditmaal weigerde de Deensche Landsthing tot de ratificatie mede te werken. Volledige overeenstemming der drie partijen — de V.S., Denemarken en de bevolking der eilanden zelf — kwam eerst tot stand tijdens den wereldoorlog; laat in 1916 trad een verdrag van afstand en schadever- goeding — $ 25.000.000.— in werking en in het begin van 1917 had de plechtige overdracht plaats. De V.S. hebben geen ander dan een strategisch belang bij het bezit de voormalige Deensche eilanden; tegenwoordig ontleenen deze nog slechts beteekenis aan de positie der haven van St. Thomas als steun- punt voor de Amerikaansche marine....”