| 1 |
 |
“...81
met hetzelfde oogmerk, meestal niet overdekt. Als ’t re-
gent, gaat men natuurlijk, even als dit sommige dieren bij
instinct doen, in huis: doch daar het hier zelden regent,
blijft men buiten zitten-tot 10 of 11 ure, de gewone klok
waarop men scheidt en zich ter ruste begeeft.
Nu hebben de meeste huizen, die slechts eenigzins den
naam van fatzoenlijke kunnen dragen, eene gaanderij, die zoo
de familie daarin al niet gewoonlijk zit, dan ten minste toch
dienen kan, om bezoeken te ontvangen, of ook als spreek-
kamer kan gebezigd worden. Des avonds brengt men er
verlichting aan door hanglampen of lantaarns met kaarsen.
Die lantaarns, of liever groole glazen stolpen, van boven
open, zijn hoog noodig om het licht tegen wind en logt
te beveiligen; om welke reden, als men eene kaars op ta-
fel zet, men er altijd zulk een stolpje (zetter hier genoemd)
over heen plaatst. Door de gaanderij komt men dan in een
vertrek, meestal zonder deur, dal de zaal wordt genoemd...”
|
|
| 2 |
 |
“...127
pia, bo labata papia enz. Het woordje lo dient om den toe-
komenden zoowel als den voorwaardelijken tijd te kennen
te geven, en wel geplaatst vóór het voornaamwoord, zoo-
als: ik zal, ik zou spreken, lo mi papia, enz. Van zaam-
gesteld toekomende en voorwaardelijke tijden heeft men
geen denkbeeld, even zoo min als van een lijdelijk werk-
woord, ofschoon vreemdelingen, voor het gemak, daarbij
het bird gebruiken, aldus: ik voord, bemind, mi biraslimaar;
en het Hollandsche worden ook al eens wordt aangewend,
bij voorbeeld: e boto ta wordt mird, het schip wordt gezien.
Maar de Creool moet omschrijven om het lijdelijk denkbeeld
uit te drukken, zooals: ik word bemind, nan mislima, dat
is: zij beminnen mij, of men bemint mij, want dat woordje
nan, zij, heeft ook de onbepaalde beteekenis van men. Om
een tegenwoordig deelwoord te vormen wordt de uitgang
van het werkwoord (doch dat is eigenlijk spaansch), ver-
lengd met ndo, bij voorbeeld, zeggen: bisa, zeggende, bi-
sando...”
|
|
| 3 |
 |
“... zal verminderen. Er zijn drie Gouverne-
ments scholen, wier onderwijzers worden bezoldigd, en
drie bijzondere scholen; behalve nog eenige, die een klein
aantal leerlingen hebben, en schooltjes voor kleine kinderen
(bewaarscholen heeft men hier nog niet); ook heeft de Israë-
litische gemeente een eigen school; en voor het onderwijs
der slaven is er sedert eenige jaren in de Wesl-divisie eene
school opgerigt, die onder toezigt staal der Roomsche geeste-
lijkheid en eene jaarlijksche toelage van hel Gouvernement
ontvangt.
Tol proeve van de taal voegen wij hier bij: hel gebed des
Heeren en de 12 Geloofsartikelen.
Gebed des Heeren. Noos téla, koe ta na ciëloel koe bo
nomber la sankliBkado! Koe, bo reina bini! koe bo voloen-
lad la koempli ariba léra asina koe na ciëloel Doena noos
awee pam di kada dia. Poordóna noos noos debé, asina koe
noos ta poordóna nan debé na noos debedoor nan. I no poné
noos deen leen lósjoon; ma librd noos di móloe. Pasóba di
bo ta reina, i podeer, i...”
|
|
| 4 |
 |
“...131
4. Koe la, soefri aban di Ponlius Pilatus, tébala kroe-
silika, a moeri, i tabala dera, i koe a bah4 deen ioegaar
nan die fiërnoe.
5. Koe di trees dia a lamanla fo di raoorlo.
6. Koe a soebi na ciëloe, a sienta na man dreetji di
Dioos, lala (odo poderóso.
7. Di oenda lo baba pa hoesgé beende biboe, i moorlo
nan.
8. Mi la keré na Spiriloe Santoe.
9. Mi la keré, koe tien oen kesti santoe di Kristoe, koe
ta deen toer moendoe; marameenloe di santoe nan.
10. Mi ta keré na pórdon di pikar.
11. Na lamantemeenloe fo die moorto.
12. Na bida pa eternidad.
ZEDEN EN GEWOONTEN.
Onder deze rubriek kan ik al heel wat mededeelen, en
het gemakkelijkste er van is, dat ik mij aan geen orde heb
te binden. Maar daarom lever ik ook schetsen. Ik hoop toch
eene zekere orde in het oog te houden en niet van den hak
op den lak Ie springen, en begin met den morgen en hoop
met den avond te eindigen. Zooals in alles hier eene zekere
eenzelvigheid, eenloonigheid heerschl, waardoor hel op...”
|
|
| 5 |
 |
“... bezoeken of men laat
belet vragen, men moet al heel familiaar aan huis bekend
zijn, huisvriend of huisvriendin wezen, als men, zonder
belet te vragen, een bezoek aflegt. Doet men dit laatste,
dan zijn er zekere teekenen, waaraan men zien kan, dat
men zal ontvangen worden; namelijk, als de huisdeur open
staat, en er licht brandt. Hebben geen dezer beide teekenen
zich vertoond, doe dan maar geen moeite om aan te klop-
pen (dal dient men hier met zijn vuist of slok te doen,
aangezien er geen klopper en geen schellen zijn, vier of
vijf huizen op geheel Curasao uitgezonderd), want meestal
zal men u niet openen; of doet men het al, door eene reet
der deur en anders boven uit een raam, toeroepen: Sjon ta
rnaloel Mijnheer of Mevrouw is ziekl
Op die visites jaagt men elkander niet op onkosten. Na
wat gezeten te hebben wordt een kop thee aangeboden,
met een koekje of gebakje er bij, en daarna aan de dames,
die meestal afgezonderd van de heeren zitten, hetgeen het
aangename en losse...”
|
|