| 1 |
 |
“...Welk belang, vroeg ik mij zelven meermalen af, als ik
beginnen wilde mijne «herinneringen” voor de drukpers
gereed te maken, welk belang zal het Nederlandsche pu-
bliek toch wel in die herinneringen stellen? Zou het niet
beter zijn ze in mijnen lessenaar te bewaren en der verge-
telheid over te geven? Hoe velen toch hebben reisverhalen,
zeereizen, door de pers bekend gemaakt! En hoe afmattend*
is het dikwijls voor den lezer om eene reis ten einde te
brengen, die hij dan toch ten einde toe lezen wil, alleen
omdat hij die begonnen is, maar met een zucht na de
laatste bladzijde het boek digt slaat en bij zich zelven mom-
pelt: »’l is niet veel bijzonders!” Wat kon mij dan over-
halen om, daar ik dit weet en meermalen zelf ondervonden
heb, toch mijne herinneringen de wereld in te zenden?
Is het schrijfzucht, die mij aanzette, om wat mij op
mijne eerste (misschien wel mijne laatste, ten minste
groote zeereis!) gebeurde, te boek te stellen? — is hel mis-
schien de begeerte...”
|
|
| 2 |
 |
“...2
Het was mij eene deels aangename deels droevige gewaar-
wording, door den kapitein van de Ricot, het schip, waar-
mede wij den togt zouden doen, in het logement, de Lies-
veldtsche Bijbel, in de Warmoesstraat, ingekwartierd te
worden. Aangenaam was het mij en mijn gezin, omdat al-
dus, voorloopig ten minsten, een einde kwam aan al die be-
moeijingeu en zorgen, welke eene reis naar Curasao voor
eene familie van man, vrouw en zes kinderen vereischt,
terwijl ook nog daarenboven voor de achterblijvenden moest
gezorgd worden: — van alle die vermoeijenissen konden
wij in den Liesveld!schen Bijbel een weinig uil rusten, voor
wij voor goed Amsterdam verlieten.
Amsterdam, dat woord, die stad wekt eene aangename
herinnering bij mij op, nu ik het ter neder schrijf en mijne
gedachten laat weiden over de anderhalf jaar, welke ik er
in doorbragt — Die aangename herinnering wordt niet zoo-
zeer te weeg gebragt door Amsterdam zelve, door hare be-
weging, woeligheid en gedurige...”
|
|
| 3 |
 |
“...10
zen; doch het weder was des nachts geweldig- veranderd;
de wind, eerst Noordwest geloopen en daarna West,groeide
tot een volslagen storm aan, zoo dat men geen enkel zeil,
zelfs niet van een visschersschuit, op zee zag, en men
vernam, dat de schepen, den vorigen dag uitgezeild, des
nachts weder op de Texelsche reede het anker hadden la-
ten vallen. Wat waren wij nu blijde nog met goede touwen
en kabels aan den wal bevestigd te zijn en den storm,
waarvoor wij veilig waren, door want en touwwerk te
hooren gieren! ’t Is dan ook een ongelukkige maand, die
maand November, om zee te moeten kiezen! Hoe hartelijk
hadden wij verlangd, dat dit in het begin van October zou
hebben plaats gehad; en was de bepaalde tijd gehouden,
dan zou dit zeker ook zijn geschied, en wij misschien eene
voorspoedige reis hebben gemaakt, zooals de Theodora Jo-
zina, die eenige dagen voor ons was uitgezeild en weken
voor ons te Curasao is aangekomen. Maar gedane dingen
hebben geen keer en wij...”
|
|
| 4 |
 |
“... gekomen. Hij zwierde en zwalkte
in het ranke bootje door de golven heên en kwam behouden
op de loodsboot aan, die hem naar Margate moest heen voe-
ren, belast met onze brieven voor het vaderland.
10 November. Hier te Ramsgate liggen wij sedert twee
dagen in eene zeer veilige binnenhaven: — wij hopen even-
wel, als de wind gunstig is, die spoedig weder te verlaten
en het kanaal door te stevenen, de Spaansche zee in. Er is
echter nog al het een en ander, dat ons legen de verdere
reis doet opzien, als: de geringe en slechte bemanning van
hel schip, de oneenigheid, die er tusschen den kapitein en
de stuurlieden heerscht, de vrees, dat men eigentlijk aan
boord, zeer weinigen uitgezonderd, van de zeevaart, ten min-
sten in deze wateren, niets weet; het ongeregeld leven, dat
er geleid wordt, de weinige orde, die er aan boord heerscht,
het onberaden omspringen met de proviand, waarover kok
en koks-niaat en kajuilwachter alleen schijnen de baas te
spelen: het veelvuldig en zoo ik...”
|
|
| 5 |
 |
“...17
voren geweten hadden, (maar wie weet dal) zich de meer-
dere opoffering hebben getroost, en over Engeland en
St. Thomas, met de zoogenaamde landmail naar Curasao ge-
gaan zijn.
Die landmail is eene voortreffelijke uitvinding, maar zeer
kostbaar. Men kan te Rotterdam aan boord eener Engelsche
stoomboot gaan, die u naar Southampton overbrengt, waar
de stoomboot gereed ligt voor de West-Indiè. Deze brengt
u naar St. Thomas, waar andere stoombooten zich bevin-
den, die u naar Suriname, Demerary of Curasao heenvoe-
ren. De passage wordt met alle onkosten op f 700 gerekend,
doch de reis geschiedt in 14 of 16 dagen en binnen 20 da-
gen is men dus uil Holland op Curacao of omgekeerd. Met
de landmail, die tweemaal per maand heen en weder gaal,
worden thans ook de brieven verzonden, hetgeen vooral
voor Curasao een groot gemak is, aangezien de weinige ge-
meenschap, welke er van dat eiland met Holland is, ko-
mende er naauwelijks in het jaar 5 of 6 schepen uit Hol-
land aan...”
|
|
| 6 |
 |
“... zouden aankomen,
het zou er al zeer treurig uitzien! Maar wij vertrouwen
op God, wiens wijs bestel ons de reis heeft doen beginnen,
mij mijne bestemming heeft aangewezen en in wiens hand
hel hart en de krachten der menschen zijn, en het ons, al...”
|
|
| 7 |
 |
“...31
en zwak, zoodat wij zeer slecht koers kunnen houden en
niet veel vorderen. Het weêr is anders uitmuntend.
30 November. Heden is het de laatste der maand en dus
op vier dagen na zijn wij reeds eene maand op reis. Of wij
nu in de laatste dagen zooveel gevorderd zijn, als wij zou-
den hebben kunnen doen, is eene vraag, die ik met neen
moet beantwoorden, omdat de wind gedurig uit het Zuidwesten
waaijende, welken koers wij juist heen moeten, ons meer
en meer naar het Zuiden, van onzen koers af heeft gedre-
ven. Hierover nu verdrietig te worden, te morren en te
klagen, zou ons al zeer weinig voegen, omdat wij over hel
algemeen heerlijk weder hebben gehad, en ons meestal ook
des avonds en des morgens vroeg op het dek kunnen bevinden,
en de maan ons tot hiertoe .met haar zacht schijnsel heeft
vergezeld. Thans, nu het laatste kwartier wordt, komt zij
ook later en later op: doch de nachten zijn tusschen de
keerkringen niet donker en de sterren glinsteren zoodanig,
dat zij...”
|
|
| 8 |
 |
“...33
verlost; doch wij moeten rekenen, dat ook deze tot de reis
behooren, dus mede ons oefening moeten leeren in geduld,
en ons sterken in ons vertrouwen op God, terwijl wij ons
vertrouwen van alle schepselen aftrekken.
Passaat! passaat! zoo zeer voorspelde en zoo vurig ge-
wenschte passaat, wanneer zult gij u doen gevoelen!? Se-
dert wij in den omlrek van Madera waren en dat eiland
waren gepasseerd, hebben wij gedurende een’ halven nacht
ons gevleid, daar er de Noord-oosten wind woei, dat wij
den passaat zouden hebben, maar sedert hebben wij er niets
meer van bemerkt, daar gedurig de Westen- en Zuid-wes-
ten wind waait, somtijds wel eens wat noordelijk uilschiet,
zooals heden, maar toch slechts voor weinige uren of zelfs
niet zoolang; dan weder naar het Zuidwesten krimpt. Voor-
leden week vleiden wij ons met de verandering van de maan,
laatste kwartier namelijk; nu zien wij de nieuwe maan te
gemoet, hopende dat er verandering zal komen, daar wij
aldus zoo bitter...”
|
|
| 9 |
 |
“...35
derom vrij goed en heldert meer en meer op. — Deze
nacht was voor de passagiers een onrustige nacht, omdat
de meesten, waaronder ik, uit vrees voor buijen niet naar
kooi durfden gaan, te meer daar wij op het waken niet
zwaar kunnen roemen; toen echter met middernacht bel
weder eenen anderen keer had genomen, hebben wij nog
tamelijk gerust, behalve mijne vrouw, ook uit vrees voor
rotten, die zich meer en meer doen hooren en vertoonen,
en nu overdag hare schade wat wil inhalen. Hartelijk be-
ginnen wij nu te verlangen naar het eind van onze reis.
Het zeeleven bevalt ons weinig, vooral door de onreinheid,
welke in de kajuit en hutten is en de gedurige oneenigheid
tusschen de officieren. God geve dus dat onze togt verder
voorspoedig zij!
Zondag was voor ons merkwaardig, niet omdat wij dien
als den dag des Heeren hebben doorgebragt, zoo als be-
taamde, doch dat hier ónmogelijk is, maar omdat wij een
schip hebben gepraaid, Conpolican (Arend vertolkt, zoo als
onze...”
|
|
| 10 |
 |
“...36
den is er een schip in het gezigt, hetgeen met ons den-
zelfden koers schijnt te houden.
17 December. Wederom vier dagen geleden sedert ik het
laatst schreef, doch in die dagen zoo weinig vaart gemaakt,
dat de stuurlieden het der moeite niet waard rekenden,
die op de kaart af te leekenen: onder anderen gisteren, en
toen was er nog eenige wind, slechts 15 mijlen. Die wind-
stilte maakt de reis lang, terwijl de Zuidwestenwind, die
dan nog in plaats van Oosten of Noordoosten wind waait,
ons verpligt eenigzints van onzen koers af te sturen, name-
lijk Noordwest: gelukkig dat men bevonden heeft, dat er
nog wel voor 30 dagen water aan boord is.
Onder de merkwaardigheden, zoo men die zoeken wil,
zou men kunnen tellen, dat de matrozen Donderdag eenige
visschen hebben gevangen, als een paar oude wijven, een
dolfijn en twee van onbekende soort; allen vrij groole en
vaste visschen, die ons des middags, gekookt en gebakken,
eene heerlijke verkwikking hebben bezorgd. Sedert...”
|
|
| 11 |
 |
“...39
dag mei de twee laatste flesschen Champagne wijn herdacht,
die wij aan boord hebben. (De kapitein zou ook op dezen
dag verjaard zijn!) Alles raakt zoo wat op en het wordt ook
daarom hoog lijd, dat wij Curasao bereiken. Het laatste
varken is gisteren geslagt, een onnoozel klein beestje, doch
het is toch nog iets versch en geeft daarom verkwikking.
Toen wij gisteren Dominique naderden kwam er een vrij
groote vogel, Boebï geheeten, langen tijd rondom het schip
fladderen; heden morgen wederom één.
Op onze geheele reis behalve in Ramsgate hadden wij wel
onderscheiden schepen gezien, doch, behalve eene in de verte,
niet ééne Hollandsche vlag. Die vreugde viel ons Zondagmor-
gen ten deel. Het was een schoener en had de eerste stuur-
man hel kunnen vermoeden, die vlag daar te zullen ont-
moeten, wij zouden zeker het schip hebben gepraaid. Des
nachts moet door onachtzaamheid een vaartuig bijna op het
onze geloopen zijn. De slaperigheid van sommige wacht-
hebbenden bezorgt...”
|
|
| 12 |
 |
“... lek: geen water in
het ruim, en daarbij hadden wij het geluk, de boot en de
manschappen, die de beweging van het schip ook in de
verte hadden gezien en er op toeroeiden, wederom in te
nemen en aldus te zamen de reis te vervolgen. Dal was wel...”
|
|
| 13 |
 |
“...43
afscheid gepreekt, en meyer, die ons verzocht in zijn huis
onzen intrek te nemen tot wij gereed waren naar onze wo-
ning te vertrekken. De ontvangst was regl hartelijk en de
verkwikkingen ons daar bereid, voor ons allergewenscht,
omdat bijna alle proviand aan boord was verteerd en wij
op zijn best nog een ontbijt hadden kunnen nemen.
En nu, als wij onze wederwaardigheden van de reis ver-
halen, dan zijn die, daar ze geleden zijn, reeds zoo goed
als vergeten, want leed wordt zoo spoedig vergeten, geluk-
kig! maar vergeten worde nooit de goedheid Gods, die ons
geleid, bewaard, geholpen heeft. Onze dank, zij die dan ook
gering in vergelijking van hetgeen hij zijn moest, zij Hem
toch aangenaam, en ons voornemen worde meer en meer
bevestigd, om den God van ons leven en van alle onze welda-
digheden ons leven toe te wijden en door het geloof in christüs,
Hem ter eere te leven. Deze wensch worde ten aanzien van
mij en van alle de mijnen vervuld! Hij helpe ons verder
door...”
|
|
| 14 |
 |
“... is, om den rook door te laten, zooals ik mij wel
eens herinner van de hutten der Indianen en van de stul-
pen der Russen gelezen te hebben.
Wonderlijk is men te moede als men na eene lange zee-
reis, in de verwachting van al wat men zien zal, den eer-
sten blik op de zich van tijd lot lijd vertoonende en al
meer en meer duidelijker wordende huizen van Curasao
werpt. Verblijd is men voorzeker, wanneer het einde van
de zeereis wordt bespeurd, aan de klippen van het dorre
Bonaire, die zich eerst aan het oog voordoen, links, en
-daarna die van het niet minder drooge en dorre Curacao,
regts. Gij ziet daar in de verte, op een der verhevenste...”
|
|
| 15 |
 |
“...142
zen. Bijvoorbeeld, in September brengt men den voorjaars-
aardappel aan; maar nu weet iedere Hollander, dal die vroege
aardappelen ook dadelijk moeien gegeten worden; op de zee-
reis echter worden ze vijf lot acht weken en langer,
onder de luiken bewaard, waar meestal eene soort van stik-
lucht is, die ook op andere voedingsmiddelen, welke wor-
den aangebragt, maar niet zoo gevoelig zijn als de aardappel,
verderfelijk werkt. Worden later winteraardappelen aange-
bragt, dan beginnen zij al spoedig onder de luiken te sprui-
ten, dat het een aard heeft, en rimpelen zich in elkander.
En nu weet wederom elke Hollander, hoe lekker zulke ge-
rimpelde en spruitende aardappelen zijn ; waarbij nu nog de
warmte van het klimaat komt, waartegen die aardvrucht
volstrekt niet bestand is. Iedereen moge nu aardappelen
eten die wil, of zich verheelden dat hij ze eet; ’t is de
aardappel niet meer, en een balletje fonsje smaakt tien maal
lekkerder, en is vrij wat gezonder dan dat duf...”
|
|
| 16 |
 |
“... lijd bij bijzondere gelegenheden be-
denken de Israëlilen of sommigen hunner ook nog de
armen der andere gezindheden op het eiland; en aan hun
eigen armen doen zij vrij ruime buitengewone giften, het-
geen zeker tot navolging zou moeten aansporen. — De har-
monie, waarin de onderscheiden gezindheden en hare gees-
telijken leven, laat, zoover wij welen, niets te wenschen over.
NASCHRIFT.
Eene recensie op mijn eigen werk en dat in een naschrift,
neen, die zal ik niet schrijven; dal is wat vreemd. En toch
als ieder schrijver, die onpartijdig te werk ging, hel doen
kon en doen wilde, hoeveel zou hij misschien op zijn eigen
werk hebben aan te merken, als het hem met gedrukte
letters toespreekt. Doch hier moet ik eenige opheldering
geven. Mijn reisverhaal was veel uitgebreider, dan het nu
gedrukt is. Hel was te uilgebreid, om het zoo in het licht
te geven, en dus zou liet worden ingekort. De inkorting
moest worden loevertrouwd aan iemand, die aan de reis ge-
heel vreemd was...”
|
|