Your search within this document for 'hui' resulted in five matching pages.
1

“... alle moeijelijkheden en bezwaren heen: en doe ons meer en meer erkennen, dat hij, die op den hoogen God vertrouwt, voorzeker niet gebouwd heeft op eenen zandgrond. Zooals de Allerhoogste ons nabij is, zij Hij ook onzen kin- deren en dierbare betrekkingen, vrienden en vriendinnen in het vaderland nabij en verblijde hen met Zijnen onmis- baren zegen! Zoo waren wij dan op de plaats onzer bestemming! Nieuwsgierig sloegen wij de blikken rondom ons. Maar wan- neer ik zeide dat wij door het uiterlijk aanzien van Cu- rasao, door de bouworde der huizen, door het hoog ge- boomte, dat wij verwachtten te zullen zien, door, in één woord alles, wat wij ondervonden, zeer gestreeld waren, ik zou onwaarheid moeten mededeelen. Alles is bijzonder vreemd. De bergen, die vrij hoog uitstéken, zijn bijzon- der kaal, of met ontzaggelijke cactusplanten bedekt; eene geweldige branding breekt gedurig tegen den oever; de hui- zen hebben een wonderlijk aanzien, de meesten zonder glas- ramen, alleen...”
2

“...85 duld, dal de wolken, die gewoonlijk meerendeels overdrij- ven, zonder een drop waler le geven, zich zullen openen en koopt onderlusschen putwater, dal door ezels of ossen van de plantaadjes, op welke daarvan een goede hoeveelheid schijnt te zijn, wordt aangevoerd; maar dat men altijd veel minder acht dan het regenwater, vooral als het moet die- nen om te drinken. Sommige regenbakken zijn ook onder de gaanderijen van het benedeuhuis, dat eenige voeten van den grond is gebouwd en waartoe eenige trappen, bij wijze van een bordes, geleiden, gemetseld en houden het water zeer lang goed; uit die bakken, zooals ook uit enkele, die zich in keukens bevinden, wordt hel water ge- schept. Nu zou ik u gaarne een denkbeeld geven van de stad zelve, nadat ik het, zoo kwaad en goed mogelijk, van de huizen gedaan heb. Ik heb het trachten te doen van hui- zen, die eenigzins den naam van fatsoenlijk kunnen dragen: want zooals ik reeds te kennen gaf, ofschoon er zijn van grooten en...”
3

“...88 zeekant, die er juist bij is. Het plein of de weg loopt oost- waarts op, zooals men hier zegt: naar boven. Het kan op dien weg ongemakkelijk hard waaijen. De weg, langs de Karaïbische zee loopende, vernaauwt zich langzamerhand, en men heeft weldra het ondergedeelte van de stad, Pieter- maai genoemd, bereikt. Dit is eene steeds voorlloopende, ongeplaveide straat aan beide zijden met niet zeer aanzien- lijke huizen bezet, eenige uitgezonderd. Regts staan de hui- zen naar den zeekant, waarheen ook eenige hanken of ste- gen loopen, links staan zij naar het dusgenoemde Waaigat, zijnde een op vele plaatsen zeer ondiep water, dat uit de St. Annabaai komt, en wederom eene verdeeling van de stad daarstelt. Ook loopen hanken van de hoofdslraat op Pietermaai naar dit Waaigat, waarin en waaraan men zeer armoedige huizen aantreft. Pietermaai oploopende, verwijdt zich die straat na eenige honderde schreden; regts blijven de huizen voortgaan in eene vrij regte lijn, doch links...”
4

“...89 derde gedeelte der stad, Scharloo geheeten (men spreekt ten minste de sch. op zijn Hollandsch uit, ofschoon men ook Charloo schrijft), ’t Is het kleinste gedeelte der stad. Eerst heeft men regts eenige onaanzienlijke huizen, behalve we- derom op de hoogte of berg, maar vervolgens als regts de hui- zen ophouden, links een aantal aanzienlijke huizen, die van achteren aan het Waaigat uitkomen en dus vlak tegenover Pietermaai slaan, echter ook wederom door zeer geringe huizen afgewisseld. Langs dezen weg voortgaande komt men wederom aan de St. Annabaai, doch daarvoor zijn wonin- gen gebouwd, ook onmiddelijk er langs, en er bevinden zich ook scheepstimmerwerven. Aan dit gedeelte der baai liggen veel schepen, meestal op lading te wachten of te kalefateren. Aan het einde der baai, waar dit dusgenoemde Scholtegat begint, een zeer groot water dat door land omgeven is, is de quarantaine plaats voor schepen, die van verdachte plaat- sen komen. Die van besmette komen, moeten...”
5

“...152 bij de vaderlandsche gemeenten, bij welke eene geregelde jaarlijksche aftreding plaats heeft. Van deze kerkeraadsleden neeiut een of eigentlijk twee de betrekking waar van ad- ministrateur der kerkefondsen enz.; bovendien is een der leden boekhouder, die bezoldiging geniet, ofschoon die be- trekking niet uitsluitend aan bet lidmaatschap des kerke- raads is verbonden. Door den kerkeraad, meer bijzonder door de Diakenen, die echter met de Predikanten en ouder- lingen één ligchaam uitmaken, heeft de bedeeling der ar- men en de administratie van het weesfonds plaats. Een wees- huis beslaat er ongelukkig niet, zoo min als een oude arme mannen- en vrouwenhuis, ofschoon die beide inriglingen, hetzij op zich zelven, hetzij, zooals hij meer kleine gemeen- ten in het vaderland, vereenigd, hier allernoodzakelijkst zijn zouden; omdat de opvoeding der weezen, in die hui- zen waar zij of besteed worden, of bij hare moeders, over het algemeen zeer veel te wenschen overlaat...”