| 1 |
 |
“...; het voorleden deelwoord door de uitgangen van het
werkwoord met aar of eer te verlengen, zooals koken (van
water), herebè, gekookt, herebeer, droogen, ganja, gedroogd,
ganjaar. Maar, zooals ik zeide, dat is Spaansch, want eigent-
lijk wordt in het spreken altijd het tegenwoordig deelwoord
gebruikt met het hulpwerkwoord zijn, la: bij voorbeeld: ik
zie, of liever, ik ben ziende, mi ta mird. Dat hulpwerkwoord
blijft ook in alle tijden onveranderlijk; ik ben, mi ta, ik
was, mi tabala, ik zal zijn, lo mi la; ik ben geweest, kan
niet worden uitgedrukt, ’t is hetzelfde als: ik was. Het an-
dere hulpwerkwoord: hebben, tien ondergaat ook geene ver-
andering; ik heb, mi tien, mi tabatien. Dit ba in tabala schijnt
slechts te dienen om dit tweemaal herhaalde ta te scheiden.
En dat zijn nu de eenige regels van de taal, indien men
dat nog regels wil noemen; zoodat het waarlijk niet veel
moeite kost, zou men zeggen, om ze aan te leeren. En toch
meer dan men wel denkt voor iemand die met...”
|
|