Your search within this document for 'anti' resulted in two matching pages.
1

“...men noordelijker komt, en dit bepaaldelijk van Januarij tot April, loopt de wind meer naar het noorden lot soms N. N. O. Gewoonlijk heeft men frissche en stijve bramzeils koellen, maar in de maanden Julij, Augustus en September blijft de wind oostelijker, en krijgt men, vooral naar gelang men noordelijker is, stilten, soms afwisselende met gereefde marszeils koelten, buijen en ook wel storm. Het is ook geenszins zonder voorbeeld, dat men digt bij en te loefwaarls van de noordwaarts strekkende Anti- lische eilanden, aauwe westelijke winden ontmoet, be- paaldelijk in April en Mei; als wanneer ook daar ter plaatse de passaat gewoonlijk flaauwer is dan in de overige maanden. In de Caraibische zee. Zoo lang men zich digt onder de ly der loefwaarlsche Antilische eilanden bevindt, zal men veeltijds zeer ongestadige koelten hebben: dan eens flaauw, dan bramzeils, dan weder marschzeils koelte en, bij hel vrij komen van ,hoog land, dikwerf zware valwin- den ; in n woord, men zal het treffen in voege...”
2

“...417 Het eiland is niet geschikt tot het voordien van mond- behoeften aan schepen. DE LOEF-AFES OF HET FOGEL-EILAND. Nagenoeg midden in de zoogenaamde Kraal der Anti- lische eilanden ligt het kleine eiland Loef-Aves. Het is laag met een wit zandig strand. Uit hel zuidwesten en op verren afstand gezien doet het zich voor als eene verzame- ling van kleine eilanden, van welke het oostelijkste het hoogste schijnt. Dit hoogere gedeelte is in der daad het midden des eilands, en de kleinere eilandjes, die men daar bewesten meent te zien, zijn kale klippen, ten noordweste van het eiland gelegen, welke door reven aan hetzelve verbonden zijn. Ook ten zuidooste bevinden zich reven: doch ten weste en ten zuidc is zandgrond en eene goede ankerplaats. Men kan het al niet verder dan op 1ยง, hoogstens 2, mij- len afstands zien. Des nachts dient men het dus vooral te vermijden. Het eiland is onbewoond. Water is er niet te bekomen, alleen schildpadden en meeuwen eijeren vindt men er, en vogelen vliegen er...”