Your search within this document for 'korte' resulted in nine matching pages.
1

“...46 DE NEEF VAN CURASAO lend, op ftukken na, geen jool, daar men maat* Zoo wat mede heen kon leven t daar fcheelde veel aan! hij maakte, als het er op aankwam, korte norgenfpraak, en wist zijn ontzag zeer Wel, zon- der vloeken of zweren, te doen gelden; wie aan boord niet wilde oppasfen, of bij herhaling zijnen pligt verzuimde, die kon er op rekenen, dat hij, in kapitein Van der. Stap met geenen gemakke- lijken te doen had; voor een braven matroos daar- entegen had hij alles over. Hij had ook, door de bank, gefchikt volk in zijnen dienst, en werd door zijne matrozen als op de handen gedragen: want of men te Am fier dam of aan den Helder te Ports- mouth of te Curasao naar hem vroeg: overal wis- ten de zeelieden dat het een baantje was, aan boord van den Reinier Klaasfen te varen. Met. dit al had onze Jan toch een leelijk gebrek: bij had zoo zijne bujjen; hij kon, als hem de muts foms fcheef ftond, geweldig op den bezem rijden; en dan deed men maar wijsfelijk, er niets tegen in te leggen:...”
2

“...BV 56 DE NEEP VAN CURASAO. fland, aldaar, na eene korte ongefteldheid, zeer onverwacht overleden. De bedroefde man was in den 'beginne over zijn verlies ontroostbaar. Van nu af aan begon zijn jvoelig en bedrijfvol leven hem tegen te liaan; hij kwam daarenboven merke- lijk op zijn jaren; tegen zware vermoeijenisfen en ongemakken kon hij zoo niet meer praten, als wel voorheen, toen hij nog, gelijk een jong konijn, langs het touwladdrtje en wip! in den mast klouterde; een ftiller beweegkring'en geruster wijr ze van leven werden hem tot behoeften. Hij had ook, finds zijne Eva was geftorven, niemand om- trent zich, met wien hij eens te rade kon gaan ; wel is waar, RobbetJe, zijn negerknecht, die yan kindsbeen af bij hem was geweest, was eene getrouwe, deelnemende ziel en beminde zijnen meester hartelijk, maar veel heul of toefpraak zat er niet bij; te Amfierdam integendeel had de Ka- pitein bekenden in overvloed: daar woonde zijn oude vriend Prouwelman een fnedige vro- lijke vent, die regt...”
3

“...5 DE NEEF VAN CURASAO. n Wacht! ik bedenk er iets op. Kbus kom eens als de wind hier! Daar ben ik al, Stuurman! fprak Kobus, Wat is er van uwen, dienst ?., * Loop eens fatansch gaauw naar den krommen Pouwelsen hier om den hoek, en beitel eene , llede! 4- Maar.., op het oogenblik hier voor de deur!..,. hoort gij wel! Voort was Kobus al; en na korte o.ogenblikken Hond er eene llede voor de deur, De knecht IcheL de aan. Zeg eens dat de lleper er is! Prouwelman kwam naar voren. ,, Is u baas dronken of gek? gromde hij tegen den knecht, Wie bedoelt er nu zulk ene llede! die zou wel wat helpen tegen het nat worden!. Het was eene opene vrachtllede, De jongen, die haar beitelde, fprak de knecht 3 zei: ,, hij geloofde, dat er eene vracht kabeltouw naar den Harlinger lleiger moest gebragt wor-, den. Loop naar de Hottentotten, vent! Zeg aan uwen baas, dat hij dadelijk eene toellede zen- de. Mijne vrouw en hare nicht moeten naar den fchouwburg, Span er dus niet zulk een ouden...”
4

“...5; DE NEEF VAN CURASAO. ontdaan, waar gevoegelijk een paard en aschkar tut fchen door kunnen, Ai wai! ai wai! heen hapering hin het fchirm 1n roept de ontfielde tooneclmeester, Nho es his geene fchwarigheid, Brham-, ,, toetje voert de voorzittende beftuqrder hem gerustftellende te gemoet. Een man, die tegenwoordigheid van geest en fielsfterkte bezit, vermag alles. De voorzitter peinst, overlegt, befluit; hij wenkt.... en na korte oogenblikken, heeft een turfzak met eene bos hooi de ruimte der onzalige opening ingeno- men. Wie achter aan zit en een weinig kippig is, weet niet eens dat er fcheur of fcheursgelijken in de gordijn is geweest. ,, Waar of toch de vrouwen blijven? zegt Prouwelman. De flede kon er lang geweest zijn, Dat zal aan dien druiloor van een fleper hg- peren, meent kapitein Van der Stap. ,, Het is dood jammer J zegt Prouwelman, ,, Nu komen zij daaraan, terwijl het fpel reed? lang aan den gang is. Konden wij intusfchen y% maar iets tot ververfching bekomen! Ja...”
5

“... , Wordt gij nu gek, Barend? Ik,'op mijn ' ouden dag komdiefpeTn ?! Zij zouden tnee- nen, dat ik met molentjes ging loopen! . Wel!" dat zoude zoo mal niet bedacht zijn. Als gij mij maar regt verftaat.' Gij fpeelE, hij voorbeeld, dezelfde rol. Ha ha 1... Ik, oude, ftijve zeewinkelhaak, zal hier, in mijn Zesenvijftigfte jaar, te Am- Jlerdam komen 6'ra toneelrollen te ipelerff..", ,, Ha! ha! Hoe komt het in u op, Barend Gij verftaat mij nit, Jan Laat mij eerst uitpraten! Ik zal u met korte woorden zeggen, hoe ik dat eigenlijk meen. Welnu. ?.,. Ziel toen zij metde vertooning dkdr waren, waar de Neef van Guadeloupe bij dien h o vaar , digen Mijnheer kwam, die hem zoo onbarmhar- tig affcheepte; en daarna zich bij zijne nicht vervoegde, die het fber had, maar hem toch ' 'met opene armen ontving; toen dacht ik zoo: 5' Hale, de' henlter! dit geval komt op een haaf fla vereen met dat .van onzen Kapitein, die toch ook van een Westindisch eiland komt eri' nog al een aardigen fiuiver...”
6

“...D NF VAN- CRAgA. 9} *Y hbr'en fpreken van ene' bicht van PunTe^n; die naar vroegere ftalen te oordelen p lang na de regt niet moet zijn; komt nu'Jan bij dat ouderwetfche fpinneverdriet als de rijke Mijnheer van der Stap dan zal het1 wijf haar best 55 doten om neef vr en neef te /pelen; maar 55 had- het ongeluk hem eens getroffen, dat hij als i, n arme duivel' terug keerde; dan zou men ijj-^neef wel naar den kabljaauwenkeldef wenfehen; derhalve moest Jan, voor eene korte poos, j-, den Mf van Guadeloupe eens uithangen, en j5 aanfielin, als- kwam hij zoo arm gelijk 55 JbB en doodlijk om hulp verlegen van z te 55 rug'f 'dan ioude men eerst zin, wie van zijne inagfehap hm uit ware achting genegen waren, j, of wie den man m zijne geldkist waren toege- 5, daahv y Z dacht ik er over: begrijpt gij$ j, Jan? Wat dunkt er u van? Op" mijne eer." die inval is een daalder waard.' Sakkerloot Barend! gij zijt toch een kluchtige vnt. Hoe-vindt gij het uit! ,, R ht nit waar, Jan gij zijt in het...”
7

“...DE NEEF VAN CURAQAO. 213 .zelfden dag, met mijn regement, de grenzen van ons vaderland en daarmede Duitsshlands bodem had bereikt. Verplaats u nu voor eene wijl in mij- nen toefiand, vriend! en befef welke aandoeningen er in mij omgingen, nu ik mij na vijf rampfpoedige jaren, behouden en vrij, op deze eigene plek hervond! Het is waar: vijf jaren flechts waren er finds dit mijn laatst bezoek aan Bertingen verloo- pen; doch, wat was er niet al in dat korte tijdsbe ftek voor mij gebeurd! daar tusfchen beide lagen jRw/tfdj-flagvelden, de bloedftroom der Berezina , mijne krijgsgevangenfehap in de woestijnen van Si- beri, en de herftelling van Nederlands onafhanke- lijkheid Houd mij dezen uitftap op het veld des geheugens intusfehen ten goede; daar het her- denken van die oogenblikken voortaan tot de fchoon- fte herinneringen mijns levens behoort. Ik ga 11 van mijne aankomst .te Bertingen verhalen. Na mijne verbeelding, op den bewusten heuvel- top eenige oogenblikken aangenaam te hebben bot...”
8

“...dat ik u reeds zoo fpoe- dig van hier zoude fchrijven? Neen, zegt gij, en ik geloof het gaarne. Zoo even verneem ik, dat er op morgen een onderofficier van ons ba- taljon, die van Elten is, met verlof naar huis gaat; en daar hij door Zcvenaar komt,,kan ik hem niet laten vertrekken, zonder eenen brief voor u mede te geven. Ik heb u veel zeer veel nieuws te fchrijven; ja, vriend! ik had, naar Amjierdam gaande, niet gedacht daar zoo veel te zullen on- dervinden, als er mij werkelijk binnen het korte tijdsbeflek, dat ik er mij bevind, bejegend is. Om...”
9

“...DE NEEF VAN CURAgAO. *49 Om mij niet bij het min belangrijke op te hon- den, meld ik u alleen, dat ik den nden dezer van Utrecht ben vertrokken; en reeds den volgen- den dag mijnen dienst hier bij de kompagnie ver- rigtte; dat ik mij twee kamers binnenshuis heb ge- huurd; in de nabijheid der kazerne en bij zeer ge- fchikte lieden inwoon. Vergenoeg u bij voorraad jnet deze korte, huisfelijke narigten. Ik zal tot. eene andere, ftofFe overgaan, Ik was naauwelijk zes dagen te Amflerdam ge- dweest toen .ik op eenen morgen langs de Keizers- gracht gaande, eene welgekleed vrouw ontmoette , die ik mij, bij den eerden oogopflag, dadelijk her- innerde meer gezien te hebben en te moeten ken- nen. De oplettendheid waarmede ik haar aanzag , .wekte hare opmerking; zij nam,mij, wederkeerig, met eenige aandacht op; doch herkende mij in den beginne niet; zij fcheen echter in twijfel te ftaan, of zij mij wilde aanfpreken ; ik kwam haar voefr, en wie denkt gij was de oude bekende, welke ik in haar voor...”