Your search within this document for 'konde' resulted in ten matching pages.
1

“...hij te Amjlerdam moest zijn gewoonlijk regt to regt aan bij ons zijnen intrek kwam nemen. Mi gebeurde dit nog al dikwijls ; want de vent',' ,, moet gij weten, was een vetweider vani zijn.gkonde uitmeten zondef ,, dat men op de eerfte vijfentwintig vademen grond raakte; doch het was toen bij ons, gelijk gij weet, de zoete inval: wanneer hij kwam, dan ontving mijn Griet hem gastvrij en gul- hartig, en wij deden hem alle vriendfchap aan. ,, Neef Haalwijk dus heette de knaap liet zich dat opperbest welgevallen; hij at en dronk; fliep in de fraaifte kamer, die wij hadden; eii ,, werd ten laatfte zoo gemeenzaam te onzen hui- 9, ze, dat hij nu en dan nog wel de een of ander op het...”
2

“...DE NEEF VAN CURASAO. 97 h Het was juist in den zomer, -omtrent den tijd, dat de Utrechtfche kermis invalt. Ik was voorheen wel meer te Utrecht doch er nooit tb P de kermis geweest, en was toch verlangend ,, om eens op den domtoren te klimmen, van waar - had ik mij laten wijs maken men met een goeden verrekijker de fchepen in het ,, IJ konde zien. Offchoon wij nu wel van geene 55 pligtplegingen houden, wilde echter mijne vrouw 3* de menfchen niet zoo onverhoeds op het lijf ,, komen vallen, maar hen vooraf fchrijven en van onze komst verwittigen. Dit deden wij dan ook, en bragten intusfchen het eene en an- dere voor neef en nicht in gereedheid, want met ledige handen wilde mijne Griet niet aan- ,, komen zetten. Maar, ja wel! met. de om- 3 gaande fchuit bekwamen wij eenen brief tot ant> ?5 woord, waarin het heettei neef was op-dit 3 oogenblik geweldig met de heupjicht aange- ,, haald, en nicht had eene Spaanfche vlieg achter ,, het oor, tot verdrijving der zinkings, waarmede 33 zij...”
3

“...als een blijk van de teedcre deelneming barer reisgenooten welwillend aan te nemen, Kiefcher,, teederer en omzigtiger kon .het nu wel niet. Nogtans bleef de Jufvrouw in den beginne weigerachtig; zij maakte vele ve-rfchningen, Hortte tranen van aan- doening, doch liet zich, na lang en vriendelijk aanhouden, eindelijk gezeggen en tot aanneming van het gefchnken bewegen,1 Zij gaf echter te kennen, dat zij het niet anders, dan als een ge- fchenk,- ter gedachtenis aan den fegenwoordigen fchulttogt, konde aannemen. Zij bedankte,- in dit geval, voor de lieve oplettendheid, die. het geerde gezelfchap, wel te haarwaarl$ wilde aan den dag leg-...”
4

“...dan met deze. teekening verge- lijken. Als de brave Gellert zijne blijfpelen zoo- wel later gefchreven en in ons land geleefd had, dan zou ik bijna in de verzoeking geraken, om te vermoeden, dat hij zijn kopijtje naar dit origineel ontleend had. Bij deze vrouw Griesgram zoo als ik haar, fchertfenderwijze, gewoonlijk noem, offehoon zij eigenlijk Barta van Punten heet, heeft mijne lieve vriendin het nu anderhalf jaar uitgehou- den. Indien ik u al de harde bejegingen en grie- vende vernederingen konde verhalen, welke dit fchijnheilge wijf hare nicht gedurende al dien tijd heeft doen ondergaan; dan, Koos, zoudt gij van verontwaardiging gloeijen. De brief van Henrict- ta, welke hier is ingefloten, moge u er eenig denkbeeld van geven. Maar, zult gij mogelijk vra-...”
5

“...bedienen. Gij kent dezen ; het zijn oude ziekelijke menfehen cn, even als mijne tante, van een lastig humeur en ongezelligen om- gang. Nu kunt gij befeffen hoe zwaar ik tobben moet. Te voren plagt ik nog eenmaal gedaaij, te hebben; maar thans blijft al het werk voor mijne rekening. Van dat .de ochtend graauwt, tot aan den middernacht moet ik voort, en bij regen, wind en koude, in de opepe lucht, op de plaats ftaan fehu- ren en al het grove huiswerk verrigten. Dat ik nog flechts eenmaal voldoen konde! maar het is niet anders dan grommen en mij bekijven, wat ik den ganfehen dag moet hooren; de fmadeiijkfte ver- wijtingen worden mij toegeduwd. Het heet, dat ik Jlechts genadebrood eet en blijde mag zijn, dat M3 ik...”
6

“...eene andere_ tot hare opvolg- fter gekozen had; hoewel zij voor de zekerheid daarvan niet durfde inftaan. In gevalle UEd. nu nog eene nadere poging wildet aanwenden en aan mijne vriendin over deze zaak fchrijven, zoo dient tot uw irarigt, dat zij Cornelia Schravers heet en zich tot aanftaanden November ten huize van Mevrouw de weduwe van Raamsheide be- vindt die alhier woonachtig is op de Heeren- gracht nabijde Hartenftraat. Ten overvloede geef ik u zulks in bedenking, omdat het ligt mogelijk konde zijn, dat mijne vriendin Schravers die om zekere reden, hare Mevrouw niet gaarne over deze zaak wilde fpreken verkeerd gegist had. Offchoon ik nu Am ft er dam verlaat, wil ik ech- ter hopen, dat onze eenmaal aangeknoopte vriend- fchapsbetrekking moge voortduren en niet verwij- derd worden. Even zoo gaarne als ik u hier te onzent heb genoodigd, zoude ik u thans voorftel- len...”
7

“...vertrek, alwaar wij kantoor plagten te houden, zoodat ik door de glasruiten naar 'binnen konde zien; boven den lesfenaar, aan welken ik plagt te zitten, hing eene ftraallamp; een lang en naar het fcheen be* jaard man ftond voor denzelven te fchrijven; goede oude! dacht ik wees daar met zoo veel ge- noegen werkzaam, als ik het was,; en zag naar de vrouwen, die op den floep zaten, of ik onder haar iemand van de familie des Schouts konde onder- -fcheiden; maar ik herkende er geene van. Ein- delijk waren wij het marktplein genaderd. Ik liet voor het Wapen van Koever den ftil houden. Tot mijne verwondering zag ik, dat er andere lieden in deze herberg woonden; en vernam, dat de oude van Woningen overleden was, en zijne weduwe hare zaken aan eenen anderen had overgedaan. De tegenwoordige kastelein en zijne vrouw waren beide uit het Overmaasfche; en hadden mij dus niet ge- kend zoodat ik naar allen konde vragen, zonder herkend te worden. Verbeeld u mijne ontroering, toen'ik hoorde, dat de brave...”
8

“...a4 DE NEEF VAN CURASAO, foort van fierheid, blijft bejegenen: niettegen- ftaande zij wel begrijpen kan., dat het haar thans zeer kwalijk yoegt, voor mij en mijne gelijken, ,, die immers wel weten wie zij is, de rol van een onfchuldig meisje te fpelen. Ik konde Boone niet geheel ongelijk geven,maar. moest hem bovendien voor de gegevene i inlichting dank zeggen. ~ Grievend fpijt het mij intusfchen, dat ik niet-onthouden heb, waar Jufvrouw Gronne mij gezegd heeft, dat zij als huishoudfter woont; zij heeft mij den Heer, bij wien zij In die betrek- king is, opgenoemd; het moet ergens in de Kal- verftraat zijn; maar deze is zoo uitgeftrekt; waar zal ik Jufvroiiw Gronne navragen, dewijl het daarenboven hier te Amjlerdam niets zeldzaams is, dat men zijne naaste buren niet eens kent. Hoe zou deze brave vrouw opzien, wanneer zij mijne ontmoeting vernam en ik, haar mededeelde, dat Henrictta werkelijk degene is, welke zij reeds een paar malen in gezelfchap van Mevrouw Palon- tcier heeft aangetroffen...”
9

“...166 DE NEEF VAN CURASAO, Maubxts Alt aan Frederik. Renberq. Zcyenaar den 3den Julij 18 . Vriend! Konde ik den postrijder, met wien deze brief zal vertrekken, vleugelen leenen, ik deed het! Het is nog geen half uur geleden, dat de uwe mij werd ter hand gefteld. Hoe kan ik mij genoeg haasten, om u uit de vreesfelijke dwaling te red den, waarin eene noodlottige mengeling van fchijn en wezenlijkheid u geftort heeft.' Frits! uwe Henritta is onfchuldig!.... Ja, onfchuldig! rein van de fchande, waarmede gij haar bezoedeld waant! Vraagt gij bewijs? Lees de brieven, welke ik hier influit; en tracht, bezweer ik u! hoe eerder hoe liever, met den fchrijver derzelve, mijnen neef, kennis te maken. Ik ftel de opgave zijner woonplaats aan den voet dezes. Ga, vertoon hem dezen brief, fpreek hem van mij, en tracht vereenigd alle middelen aan te wenden, om de ongelukkige miskende op het fpoor te ko- men tegen wie boosheid en list, door een zon- der-...”
10

“...ik, op >1 dit oogenblik, niet weet waar geftoven of ge- - vlogen is. En deze nicht, Mijnheef! mag ik weten, van wat plaats en hoe zij genoemd is ? *> Zij is eene Jufvrouw Dalman; haar vader was Predikant in zijnen tijd, en ftond te Bertingen, dat een plaatsje in Gelderland of Overijsfel is. En gij weet niet, waar deze nicht zich he- rvindtMijnheer ? en zij is uwe eenige nabe- ffaande ? Zoudt gij niet wenfchen haar aan te treffen? Ja, Mevrouw! ik wilde een zak guldens fchul- dig zijn, konde ik er maar achter komen, waar het lieve kind zwerft. Welnu, Mijnheer van der Stap ik verheug mij, misfchien in flaat te zijn, u goede berigten nopens uwe nicht Dalman mede te deelen. Ei! wat gij daar zegt, Mevrouw! Ik fla er verfteld van ! Dat de blijdfchap u niet doe ontftellen, Mijn- heer! wanneer ik u zeg, dat uwe lieve nicht zich hier te mijnen huize bevindt ; dat zij mij- ne gezelfchapsjuffer en meer dan dih, dat zij mijne vriendin is. Gij zult haar zien, he- den nog! Ik