| 1 |
 |
“...waardoor de fatan het den-
$4 ken in de wereld heeft gebragt ; door het lezen
helpt hij den mensch aan het onderzoeken, *
4, aan het beoofdeelen 4 het maken van gevolg*
i, trekkingen enz.; dit ftreeit den hoogmoed van
,, den trotfchen mensch; en- nu gaat de arme aard*
4, Worm zich verbeelden, dat hij al Vrij wat kan,
,, beuzelt Van menfchenwaarde, droomt van vrij*
V heid, van menfchengeluk, en de Hemel weet
,, welk tuig! Zie, mijnheer! ik zeg altijd: pra-.
ten aegt niets; de proef op de fom doet alles
, af; en die wil ik u thans leveren. Ga, bij Voor
beeld, naar de Kaffers, naar Lapland, daar
44 leest geen moederziel: maat hoort men daar
5, ooit Van fCheurmakers, Van ketterijen in het
'1, wijsgeetige of ftaatkundige? Nog meer,mijn-
4, heer! In d middeleeuwen konden alleen d
* geestelijken lezen, en dan Was het nog atmliar-
tig monnikenlatijn: gelukkig tijden toen waS
er orde in den lande; de lieden wisten op zijn
44 best, dat zij in de Wereld Waren; thans drijft
men de trotfche...”
|
|
| 2 |
 |
“...door was geweest! En als
men zoo te Ramen eens eenige togtjes naar het Pe-
perland bf de IJsbeeren heeft gedaan en nu en
dan den mageren man onder de oogen gezien heeft:
dan kan men eerst naar regt zeggen, dat men een
Ichepel zout met elkander heeft gegeten, en men
elkaar niet van heden of gisteren kent. Opregt
was kapitein Van der Stap in een hoogen graad*
dit kon men hem aanzien; hij fprak gelijk hij
dacht; met hooffche vleitaal of pligtplegingen kon
hij zich niet ophouden; en kwam hij er ook fom-
tijds eens wat plomp verloren voor uit, dat moest
men hem niet ten kwade duiden: want hij meende
het in zijn hart goed; kortom hij was een echt
origineel van oud-vaderlandfche trouw en har-
telijkheid. Hij bezat daarenboven mnig andere
voortreffelijke eigenfchap. Goedhartig was hij tot
in zijn binnenfte; hij zou geene kip laat ftaan
eenen mensch eenig leed doen. Hg wist daarom
echter zeer wel zijne achting bij het fcheepsvolk te
bewaren; hij was, fchoon befcheiden en welwil-
lend,...”
|
|
| 3 |
 |
“...?a DE NEEF VAN CURASAO.
naderhand van eene zeer flechte zijde leerde
kennen, mij eene fom van vijfduizend guldens
ontleend; de deugniet ging er mede door en be-
gaf zich daarna in den krijgsdienst. Kortom,
er volgde tegenfpoed op tegenfpoed, het eene
verlies voegde zich bij het andere; en ik, om
mij aan geene verdere verliezen bloot te ftellen,
befloot naar eene gefchikte gelegenheid te zoe-
ken, om ergens, in een burgerlijk huisgezin het
opzigt der huishouding waar te npmpn- Wpldra
w deed er zich eene dergelijke beftemming op. De
Heer Knuppelbusch weduwenaar geyvorden
zijnde, en twee dochters hebbende, die zich
weinig met de huishouding bemoeiden, zocht
mij, tot het waarnemen van dien post bij hpm,
, aan; en ik ging onder billijke voorwaarden daar-
toe over.
M Maar kondt gij dan ook geene betere getegen-
heid vinden ?
In welk eenen zin meent UEd. dat ?... voor-
deeliger ? ... aanzienlijker ..
Hoor, Jufvrouw! gij kent mij; met achter-
klap of oude wijvenpraat houde ik mij...”
|
|
| 4 |
 |
“...9s. DE NEEF VAN CURAQAO
finds ik er met het varen ben uitgefcheiden en
.,, meer onder allerlei foort van menfchen heb ver-
keerd. In den beginne twijfelde ik zelf fom-
.,, tijds, of ik de zaak wel aan het regte eind had;
zij kreten mij voor een lompert, voor een on-
befchaafd, onhandelbaar mensch uit; bij fommi-
gen heette het zelfs, dat ik een gevaarlijk voor-
,, werp was.... Ik, Barend Prouwelman ,
een gevaarlijk voorwerp!... hoe vindt gij het,
Jan ? Maar de duivel hale die zoogenaamde
befchaving en handelbaarheid het kwam daarvan
,, daan, dat ik dengenen, die mij bij den neus
zocht te leiden, ongepoetst de waarheid zeide of
deed gevoelen: de zoogenoemde befch^afdheid
integendeel brengt mede, dat men elkander, fijn
en gevoelig, doch met de grootst mogelijke be-
,, leefdheid, zijne trekken betaald zet: dat gaat
alles op de vreedzaamfte, vriendelijkfte wijze
,, toe. Maar had ik den fatan niet van zulk eene
,, vervloekte valschaardigheid! Foei dacht ik
moeten dat lieden...”
|
|
| 5 |
 |
“...nog een eigen fonds, dat hen jaarlijks goede ren*
ten opbragt. Ook hadden zij er Werkelijk voorheen
wl ingezeten; doch hun vermogen was ongelukkig
verloren gegaan* Naar ik wl ns meen gehoord
te hebben, zou hetzelve grootendeels hebben be-
ltaan in een kapitaal, hetwelk op hypotheek uit-
gezet doch niet behoorlijk in de registers inge-
fchreven was geweest; de fchuldenaar, een ilecht;
gewetenloos mensch, had Van dit verzuim het
fchandelijk misbruik gemaakt, om Het vaste goed;
dat voor de geleende fom ten onderpand had ver-'
ftrekt, te vervreemde^, en was daarna met de be-
taling der renten en teruggave der hoofdfom op
eenmaal fout gebleven. Wat HenriSttas vader
bewogen heeft, om deze zaak voor zijne vrienden
8*...”
|
|
| 6 |
 |
“...wijze, dat het mij
van beleedigd gevoel doet blozen. Ook vaart zij
hevig uit tegen de opllellers en den inhoud onzer
kerkgezangen, die zij allen Bals liederen noemt,
waarover de Hemel zieh vreesfelijk vertoornd en
nog eens land en volk zijne oordeelen zal doen
ondervinden. Ik hijg vaak van verlangen, om eens
dbrir'openbaren godsdienst te kunnen bijwonen, en
tot opbeuring in mijn rampfpoedig lot een woord
van godsdienftige vertroosting te hooren. Maar,
ach! zulks wordt mij niet vergund, er gaan fom-
tijds weken achtereen om, dat ik niet te kerk kan
gaan; en dan moet ik de gelegenheid daartoe, altijd
nog als ter fluip waarnemen, dewijl ik anders al-
lerlei beletfelen in den weg zou vinden.
Het grievendst echter, dat ik bij dit alles moet
verkroppen, is de beleedigende wijze, waarop ik
mijne tante van mijne brave, overledene ouders
hoor...”
|
|