| 1 |
 |
“...geheel en veilig aan hare wijsheid en rechtvaar-
digheid kunnen overlaten. Onze Maatschappy heeft
de volkomene overtuiging dat, gelijk zy zelve, de
Regeering geene andere vrijlating der slaven wil
dan //eene waarlijk heilzame;// dat is in de eerste
plaats eene zoodanige, waardoor ten opzichte van
den ongelukkigen medemensch de laatste dwaling
niet erger wordt dan de eerste. Zy weet dat, ook
hierin met haar eenstemmig, de Regeering deze
vrijlating niet wil met krenking van iemands we-
zenlijk recht 2. Tot blinde hartstochtelijkheid en
schuldige overijling acht zy haar in geenen deele
in staat. Maar door het bestrijden van elk voor-
oordeel, dat de hartelijke aanneming van haar be-
ginsel in den weg staat, door de kalme, maar na-
drukkelijke en bezielde verdediging er van, voor
haar zoo veel mogelijk aller instemming, aller toe-
juiching, aller medewerking te verwerven, en haar...”
|
|
| 2 |
 |
“...door het menschlievende hart als de
wenschelijkste zaak te doen beschouwen, daar ge-
doogt de fierheid van ons menschelijk gevoel geen
andere herinnering dan deze: Zoo lang de Vrij-
heid het hoogste en dierbaarste goed des menschen
zijn zal, zal de Slaverny zijn diepste vernedering
en zijne vreesselijkste ellende wezen.
Gy vergt my niet, mijne Hoorders! Nederlan-
ders, gy vergt my niet de waarheid van deze stel-
ling te betoogen! Uit te weiden over de waardy
der vrijheid in een land, dat met recht als de
kweekplaats der vrijheid mag worden beschouwd,
en voor eene bevolking, op eigenen bodem, van elke
gezonde toepassing van het vrijheidsbeginsel zoo
naijverig! Wat is het dan dat de oogen van som-
migen verduistert, dat de harten van Nederlanders
vergeten doet te kloppen, waar het de vraag is
van de bevrijding van veertigduizend medemen-
schen, levende onder de nederlandsche wet ? Is
het de verre afstand aan de overzijde van den at-
lantischen oceaan? Is het de kracht van tijd en
gewoonte...”
|
|
| 3 |
 |
“...bescherming der
wet, waarby een zeker bedrag van arbeid tegen al
wat de nooddruft des levens eischt wordt ingewis-
seld, en die den zoogenaamden slaaf, moet hy al
een gedeelte van eiken dag een eenigzins z waren
arbeid verrichten, ook geheel ontslaat van alle ver-
dere zorg en bezorgdheid voor het heden en
morgen — dien moeielijken arbeid der ziele. Ver-
geet niet dat den meester aan de gezondheid, de
krachten, de opgewektheid van zijnen slaaf alles
gelegen is; dat de arbeid op zich zelven een voor-
recht is en een zegen; dat de slaaf, in slaverny ge-
boren en aan slaverny gewoon, de zedelijke waar-
de der vrijheid nimmer gekend heeft, en onmo-
gelijk kan beseffen; ja, dat hy zich den zegen
van dat heerlijk goed niet anders voorstelt dan in
den vorm eener slordige ledigheid, dien vloek voor...”
|
|
| 4 |
 |
“...uit te breiden en een altijd grooter aantal volkeren te
omvatten ; evenzeer verlangt zy by de volkeren die met-
terdaad onder haren gezegenden. invloed zijn , haar
werk van dag tot dag voort te zetten en te volmaken.
En wat haar in de bevrediging van dit edel ver-
langen tegenwerkt of teleurstelt, dat komt haar met
reden dubbel hatelijk voor. Welaan, mijne Hoor-
ders ! het zij verre van my op de blanke bevolking
onzer Westindische Bezittingen een smaad te wer-
pen waartoe niets my roept of het recht geeft; maar
de vraag is geoorloofd en verdient een eerlijk and-
woord: niet of haar maatschappelijke toestand reeds
dien trap van beschaving, reeds die hoogte van
ontwikkeling bereikt heeft waarop de europeesche
maatschappy zich bevindt, hetwelk niemand lichtelijk
beweren zal; maar of niet tegen elke vordering, of niet
tegen het doen van iederen eenigzins aanmerkelijken
stap op den weg die derwaarts opleidt, de Slaverny,
en wederom de Slaverny, de eerste, de grootste hin-
derpaal is en blijft...”
|
|
| 5 |
 |
“...van alle landen; wy zien zijne
vervulling door de vrienden en bevorderaars van
het Godsrijk eenparig als den dageraad eener nieuwe
toekomst begroet. Er zijn echter nog bestrijders.
Maar zoo gy onder zulke omstandigheden u by dezen
voegt, het moet zijn in de overtuiging dat deze
gantsche beweging uit de menschen is en niet uit
God, uit den Geest des Tijds, ook in dit opzicht niet
eenstemmig met den Geest van Christus. Het zij
zoo; maar om ook ons tot deze overtuiging te bren-
gen , moet gy haar recht bewijzen uit dat Woord
van God, waaraan de geesten moeten getoetst wor-
den of zy uit God zijn. Het is thands zoo verre ge-
komen , dat. het geenszins de vraag meer is of de
voortduring der Slaverny verdedigd kan worden
door het stilzwijgen van de Heilige Schrift over de
plichtmatigheid van hare opheffing. Ons christelijk...”
|
|