| 1 |
 |
“...( 24 ).
Ket lichaam van den zwarten mensch niet al-
leen , ook de geest des blanken gaat onder zijn juk
gebogen. Dubbel ongelukkig, indien ook deze zich
door zinnelijke genietingen rijkelijk of slechts eenig-
zins voor zoodanige onderdrukking schadeloos ge-
steld zoude achten! En by deze stilzwijgende wer-
king van het stelsel door zijn enkel daarzijn, komt
nog de zedelijke schade, die het altijd en alom
aanschouwen der slaverny, die de uitoefening er
van op de zich opvolgende geslachten in den regel
hebben moet. Minachting voor den arbeid, mis-
kenning van de waardy en de rechten van deu
mensch als mensch, en een zekere graad van verstom-
ping der edelste gevoelens kunnen over het algemeen
niet uitblijven. Het despotismus is een bedwel-
mende beker. Niet straffeloos kan de eene mensch
eene te groote mate van macht over den anderen
bezitten en uitoefenen. En de natuurlijkste straf
is deze, dat hy de macht over zichzelven verliest.
Van daar .... Maar laat het ons genoeg zijn, op
menschkundigen...”
|
|