Your search within this document for 'Europa' resulted in four matching pages.
1

“...te onhandig uwe onbekendheid met de geschiede- nis , den aart, en de vatbaarheden van dit volk verraden. Of vergeet gy geheel wat deze afzich- telijke Afrikaners, wat dit gruwelkroost van Cham was en is in zijn oorspronkelijk vaderland? Welk eene barbaarschheid; welk eene stompheid; dier- lijke wellustigheid; meer dan dierlijke wreedheid. Waar gy gaat, nergens zult gy by het heidendom het bygeloof gemeener, de afgodendienst bloedi- ger, de zeden schandelijker vinden. Voorwaar, die door gantsch Europa verfoeide slavenhalers zijn, zonder het te weten, voor dit diep gezonken ras de ware, de eenige menschenvrienden geweest.5 Het hoogste dat door dit volk bereikt kon worden, ver- mocht het slechts te bereiken, het uiterste waartoe het in staat was, daartoe is het in staat gesteld door die zelfde Slaverny, waarover averechtsche menschenvrienden in deze laatste tijden begonnen hebben het hoofd te schudden. En veel is het ze- ker niet. Na drie eeuwen van onophoudelijke aan- raking met beschaafde...”
2

“...hebben beloofd, meer en meer op den weg der zedelijkheid is achteruitgegaan, naar den onwe- derstaanbaren drang van — wat wilt gy ? dien vloek, dat noodlot, die natuurwet, die aan het menschen- ras met deze dikke lippen, dit wollig hair, deze harde hersenpan, en een aangezichtshoek van niet meer dan zeventig graden alle noemenswaardige ontwikkeling ontzegt.// Mijne Hoorders, dit is ongeveer dezelfde taal, die reeds in het laatst der vorige eeuw overal en tot in de verlichtste staatsvergadering van Europa gehoord werd, toen alle krachten moesten worden ingespannen om den volgens deze beschouwing eeni- gen waren vriend van den Neger, den verschrikke- lijken slavenhaler, by het werk zijner onwillekeurige 2*...”
3

“...van de hand wijzen onze godsdienstige voor- vaderen of te beschuldigen of te verdedigen, dat zy, de landen der heidenen betreden hebbende, zich daar hebben begeven tot hetgeen waarvan zy in hun vaderland zouden gegruwd hebben; dat zy het slavenjuk hebben opgelegd, den slavenhandel gedreven, en voor het onchristelijke van beiden blind geweest zijn. De Geest des Christendoms, tegen welken het stel- sel der by hen bestaande slaverny by geen der on- der zijnen invloed geheel beschaafde volkeren van Europa is bestand geweest, heeft niet kunnen beletten dat de ontdekking eener nieuwe wareld, aan de overzijde van den Oceaan, in nieuwe en grootendeels van de bezielende levensgemeenschap met de christelijke moederlanden afgesnedene maat- schappyen, eene nieuwe en afzichtelijker slaverny heeft doen ontslaan, en zonder ernstige bewustheid van schuld heeft weten in stand te houden; dit, zeg ik, heeft de Geest des Christendoms niet kun- nen beletten in de zestiende eeuw. Maar hy heeft van dien oogenblik...”
4

“...van het juk der dienstbaarheid, maar om de weg- werping van alle, ook van de gezegendste banden te doen was. Maar dit is noch de eerste noch de eenige maal geweest dat de Geest der Wareld zich eene leuze heeft gemaakt van hetgeen door den Geest van Christus met allen ernst werd ge- predikt, en op den weg zijner ongerechtigheden met weldaden gepronkt, die slechts in zijne handen verkeerden in een vloek. — Genoeg, M. H.! wy zien het beginsel der Slavenbevrijding by de be- schaafdste natiën van Europa als een goed en heilig beginsel erkend; wy zien het ten uitvoer gelegd; niet slechts daar, waar op het altaar der vrijheid en der menschlievendheid een vreemd, een onheilig vuur ontstoken is, en in de hitte der omwenteling; maar ook elders, na rijp en wijs overleg, op den luiden wensch en nriar den dringenden raad van de uitnemendste, de christelijkste gemoederen. Ja, volk op volk laat zijne slaven vrij; regeering...”