Your search within this document for 'recht' resulted in seven matching pages.
1

“...zonder hartstocht zijn ? Hij zou zoo koel, zoo laf, zoo önvcrfchillig weezcn ? Gewis dan waar’ te onpas zijn edele aart geprezen ; Dan hadt diens vallche tong de waarheid juist gezeid, Die Neêrlands volk betigt van ongevoeligheid ; Dan hadt zijn bittre pen met alle recht gefchreven, Dat Neêrland geest,noch vuur,noch hartstocht waar’ gegee- Dan was ’t, dat Engelberts, met eene mannenhand, (ven ; Te onrecht verdedigd hadt den roem van ’t vaderland; Een’ roem zoo oud, zoo groot, zoo edel ,zoo verheven!.. Het Franfche volk wordt meer tot vlugheid aangedreven; ’t Vergeet zijn rampen ligt; ’k ben hierin niet verblind. Maar denk niet dat een man, die ’t vaderland bemint, • Die nog’t oud Hollandsch hart voelt in den boezem kloppen, Met recht zijn ooren voor ’s volks jammren toe kan floppen, ’t Is waar, ’t is eenmaal zoo; wij wennen onzefmart; Maar de algemeene nood doorgrieft, verfcheurt mij’t hart- Dat hart, dat gloeit en brandt voor ’s vaderlands belangen, Ileeft, God zij dank! mijngaê, die liefdedrift...”
2

“...wat fchijnverniste vonden! W^t is ’er niet geroofd, geplonderd en gefchonden! Hoe wierd de koopvaardij belemmerd en gefluit! Hoe viel Euftatius den wreevlen Brit ten buit!... Wij zien, op ’t onverwachtfte, ons éénsflags ópgefcoomen, En weeten van geen’ krijg,en waanden niets te fchroomcn... 6 Dag van ijsiijkheên, van zwoegend hartverdriet! Wie peinst op dit tafreel, en fchrikt en fiddert niet! Wat leed weêrvoer dit oord, finds veertig bange weeken! Elk zag, op ’t onverwachtst’, zich van zijn recht verfleeken, Zijn fchatten weggeroofd, en de ampten zich ontrukt, Door Rodneij's plonderzucht, die alles woest verdrukt. Mijn vaderland! kon ik voor u meêr doen dan klaagen! Kon ik den trotfehen Brit uit dees kolonie jaagen! Mogt ik, mijn broeders! die met mij hier wordt getart, Eerlang de dwingiandij des vijands zien benard!.. Gij, Albefluurder! kent den grond van mijn gedachten; Waar kan ik grooter eer, waar beter lot verwachten, Dan dat ik met mijn bloed... FR AN-...”
3

“...overtuigd uit ’s lands gefchiedenisfên. ERNESTUS. En wilt gij dan dat ik in rust mijn leven ilijt ? Ed zien dit oord ten prooij’ aan ’s vijapds wreevlen nijd » Ja, nijd en fpijt en haat en afgunst doen hem woeden: De trouw mijns vaderlands baarde ons dees tegenfpoeden... ó Vaderlandfche deugd, die op uw braafheid (leunt! Waaraan hebt ge u vertrouwd ? waarop hebt gij geleund ? Op mijn verbonden, zegt ge ? ik (leunde op mijn traöaaten. Met recht, mijn vaderland! daar mogtgeuopverlaaten. Dan ach! thans ziet gij klaar, thans ziet gij met de daad, Hoe zeer het heiligst recht den Brit ter harte gaat!... Wie telt de menigte op van zyne gruwelftukken! Hoe...”
4

“...vervloeken, Dat ge, als een roofgcfpan, zoo verre u dorst verkloeken. Hoe wierd der volken recht onzinnig hier verkracht, De menschlijkheid verguisd, elks bittre rouw veracht! Hoe zag ik zelfs een’ Jood, fchier naakt van hier verdreven ,• Na hij acht guinies, Hechts tot voedfel voor zijn leven, Van al zijn geld en goed bij zich verborgen hadt, Op nieuw, gelijk een’ dief, baldaadig aangevat! Men fneed zijn kleedrcn op, waar zag men ’tooitgebeuren ? Om ook deez’ laatften duit als van zijn ziel te fcheuren. Men fpaarde noch’tBataafsch’,noch’tGaIsch’,noch’t Britfche • volk, , , (dolk... ’t Amerikaansch,noch’tJoodsch’, voor ’s plondraars woesten FRANC ISCA. Ik ftem, geheel en al, in uw gegronde reden; Ik piin het Hollandsch volk; ik acht het om zijn zeden; En, fchoon mij ’t Franfche bloed- door hart en adren vloeit, Uw liefde heeft mijn ziel aan ’s lands belang1 geboeid, ' Gij zegt, en gij hebt recht, ik wil dit zeer wel weeten, De Franfchen kunnen ligt een’ droeven ramp vergeeten. Doch...”
5

“...ERNESTOS. Wat ijdle zorg! hoe kan het mooglijk zijn! Bedwelmt ge uw’ vrijen göest door vergezochten fchijn? 6, Mogetj wij ditmaal der Britten magt verpletten, Wij Zullen anderwerf hen ’t landen wel beletten. Elk onzer zij een held! elk onzer zij foldaat! En’t fpreekwöord zegt te recht: koomt dag,dan tijd en raad. Kan ’t zijn, wat ijdle vrees ftelt gij u thans voor o ogen! Befluit, in ’s Hemels naam! ’t is nog in uw vermogen. F LOR IS. Geloof mij, ’k ben op ’t hoogst met onzen ramp begaan. KAREL. En kunt gij, op dit uur, nog langer u beraên ? FREDERIK. Een eedverbreeker kan de vrijheid nimmer baaten. FLORIS. Gij kunt, niet meêr dan ik, de laage flaafsheid haaten, ERNESTOS. Ja, Floris! de eer en pligt van een recht Hollandsch hart Wordt nooit gefmoord, maar groeit, bij ’t groeien van de fmart. Cmen; Geen volk, dan Neêrlands volk, durft meêr op vrijheid roe- Gcen volk, dan Neêrlands volk, durft meêr de flaafsheid doemen; Geen...”
6

“...HELDENSPEL. 27 Geen volk, dan Neêrlands volk, dat vrijheid meêr bekoort; Geen volk, dan'Neêrlands volk, leeft in een vrijer oord: 't Heeft vrijheid in ’t geloof; ’t heeft vrijheid in den wandel; »t Heeft vrijheid in het recht; ’t heeft vrijheid in den handel. Maar ach! dit groot gefchenk bezit gij flechts in fchijn. Hoe! wierden wij dan vrij om willig flaafsch te zijn? Ons, wien geen beulendrom van Alvaas kon braveeren, Ons laaten wij, 6 fchand’! door Britten laf verneêren ? Roemt ge op der vadren eer, gekocht met goed en bloed, Wel, toon me in ’t Hollandsch kleed dan een Bataafsch ge- moed !.. {Floris en de Burgers, Jierk getroffen zijnde, werpen zich aan de voeten van Ernestus.j Wat zie ik!.. FLORIS. Ja, uw reên moest op ons zegepraalen. (Ernestus richt hem op.j Welaan, wij zijn gereed. Dat wij niet langer draaien. Koomt, mannen! volgen wij dien weêrga^loozen held! Men fchaam’ zijn blooheid zich; onze eer behoude’t veld. ERNESTUS. Vernieuwen Wij den eed. Koomt, mannen!dat wij zweeren...”
7

“...■ HELDENSPEL. 51 Der Franfchen rijks-monarch erkent u voor zijn vrinden, ]En zal u blijk op blijk daarvan doen ondervinden. Dat ieder amptenaar op nieuw zijn’ rang bekleed’! Den minden burger drukk’ voortaan geen zweem van leed! Dat elk den zegen (maak*,1 te vooren hier gevonden! Het recht der burgren zij hier heilig, ongefchonden! Ziet daar u in uw’ rang en vrijheid weêr herfteld; En vreest niet voor den Brit noch zijn barbaarsch geweld. Gij' zult niet anderwerf hem tot een’ buit verdrekken, Dewijl ik met mijn magt van u niet af zal trekken Yoor ik Eudatius verderkt en veilig acht. Elk melde op morgen ons zijn welgegronde klagt’: Vertoonc ons al de fchaê door Englands roof geleden, En wachtc een’ blijden troost na al zijn tegenheden. F.RNRSTUS. Wat eer,wat roem, wat dank, verdient uw grootsch bedaan! Ziedaar den waaren held, omringd van gloriedaên!... Hoe daa ik om uw deugd en edel krijgsvermogen, 6 Eer der Franfche vlag, verrukt en opgetogen!... Wat, wat vervoert mij meest ? uw fchrander...”