| 1 |
 |
“...een oranjekleurig cephalium (miquel 1. c.
p 68, 110). Ongelukkig is het vaderland onbekend. Onlangs is
(Monatschrift fr KaJctenkunde ed. Dr. Schumann 1892 p. 88) een
losse kopspruit beschreven en afgebeeld, die door den heer rust te
Quedlinburg uit Honduras was ontvangen en door den bekenden
Cacteenkweeker en -kenner, den heer h. hilbmann te Birkenwerder
bij Berlijn, als behoorende bij M. Brongniartii is bepaald. Ofschoon
men nu uit zulk eene kopspruit alleen de soort bezwaarlijk met
zekerheid bepalen kan, daar de dorens op dezen doorgaans min of
meer van die op den hoofdstam afwijken, komt het mij in elk geval
voor, dat de afgebeelde kopspruit van een voorwerp, tot den stam
der M. communes behoorende afkomstig is, en is het vaderland
Honduras voor de geographische verspreiding eene belangrijke aan-
winst. De middeldoren is in deze kopspruit langer dan de rand-
dorens, maar dit is geen direct bezwaar, daar de verhouding der
dorens in de kopspruiten wel meer in zoodanige richting varieert...”
|
|
| 2 |
 |
“...VIERDE BIJDRAGE TOT DE KENNIS DER MELOCACTI. 35
Een verschil met M. Brongniartii vormt evenwel de bloedroode,
niet oranjekleur der borstels in het cephalium.
Zeer wenschelijk zou zijn, dat men in de gelegenheid kwam,
volledige voorwerpen uit Honduras te verkrijgen en te bestudeeren'
M. hystrix parm. m.s. (miquel 1. c. p. 58), indien een Melocac-
tu8, zou men, wegens de lichaamsgrootte, geneigd zijn als een stam-
verwante der M. communes te beschouwen. Echter brengt de ver-
houding der dorens hem reeds even binnen de grens der mono-
centri; want de middeldoren wordt als even lang (2A cM.) als en
iets dikker dan de langste, onderste, randdoren beschreven. Volgens
mededeeling van pfeiffer, aan wiens tusschenkomst miquel de ma-
nuscriptbeschrijvirig van parmentier te danken had, was de stengel
aan den voet niet minder dan 46 cM. dik, terwijl de hoogte
41 cM. bedroeg, pfeiffer vergelijkt den vorm met dien van een
bijenkorf. Niettegenstaande de reusachtige gestalte was nog geen
cephalium aanwezig...”
|
|
| 3 |
 |
“...VIERDE BIJDRAGE TOT DE KENNIS DER MELOOACTl.
41
Honduras: de kopspruit, aan M. Erongniartii toegeschreven.
Cuba {Havannah): de M. (communis) havannensis met groote
ronde viltige, eenigszins verwijderde doren velden, 9 rand- en 2
middeldorens, alle stijf, geel, bundelvormig opgericht.
Jamaica: vormen van den stam, doch die niet zeker genoeg be-
schreven zijn om het bijzonder karakter te bepalen, naar de af-
beelding (tussac) meerdoornig met ronden stengel en vrij effen
cephalium, andere, naar opgaaf (sloane) met hoog eivormigen en
langwerpigen stengel en ruig roodbruin cephalium; bovendien de
twijfelachtige M. meonacanthus l. o.
St. Domingo: onvolledig bekende vormen, (tussac) dezelfde als
voor Jamaica vermeld; de M. communis var. oblongus link otto,
klein langwerpig, 16 cM. hoog en 9 cM. dik, volgens pfeiffer,
met 15 spitse ribben, dicht bijeenstaaude dorenvelden, 67 rand-
dorens en 1 of geen middeldoren, alle (l. o.) zwak en roodachtig;
M. {communis?) Lemairii, met (kegelvormig-) langwerpigen...”
|
|