| 1 |
 |
“...vergadering der Tweede Kamer, in handen van den
Prefident, daartoe door den Koning gemagtigd. (Grondw. van
1815, art. 84.)
Art. 87. De Koning benoemt, uit eene opgave van drie Le-
den , Hem door de Kamer aangeboden, één om .het voorzitter-
schap , gedurende den tijd van het openen tot bet (luiten der
zitting, waar te nemen. (Grondw. van 1815 , art. 85.)
Art. 88. De Leden dezer Kamer genieten voor reiskosten
zoodanige fom, als, in evenredigheid der afftanden, bij de Wet
zal' worden geregeld.
Tot goedmaking der verblijfkosten in de plaats der bijeen-
komst, wordt hun toegelegd eene fom van f 2500 ’sjaars.
Deze verblijf kosten, die maandelijks betaald worden, worden
in het tijdvak van de eene zitting tot de andere niet genoten
door de Leden, die bij de laatfte zitting niet zijn tegenwoordig
geweest, ten ware zij bewezen door ziekte belet te zijn ge-
worden. (Grondw. van 1815, art. 86.)
DERDE AFDDELING.
Van de Eerfte Kamer der Staten - Generaal.
Art. 89. De Leden der Eerfte Kamer genieten voor reis-...”
|
|
| 2 |
 |
“...KONINGRIJK deh NEDERLANDEN. 21
verblijfkosten ’s jaarlijks eene fom van ƒ 3000. (Grondw. van
1815, art. 87.)
Art. 90. Bij het aanvaarden hunner waardigheid leggen zij,
. in handen van den Koning, af dezelfde eeden, als voor de Le-
den der Tweede Kamer zijn bepaald, ieder op de wijze zijner
godsdienftige gezindheid. (Grondw. van 1815, art. 88.)
Art. 91. De Voorzitter van de Eerde Kamer wordt door
den Koning benoemd, om het voorzitterfchap gedurende den
tijd van het openen en fluiten der zitting waar te nemen. (Gr.
van 1815, art. 89.) ,
VIERDE AFDEELING.
Befchihiingen aan beide Kamers gemeen.
Art. 92. Niemand kan te gelijk Lid der beide Kamers zijn.
(Grondw. van 1815, art. 90.)
Art. 93. De Hoofden der Departementen van Algemeen Be-
duur hebben zitting in de beide Kamers.
Zij hebben alleenlijk eene raadgevende dem, ten ware zij tot
Leden der Vergadering mogten benoemd zijn. (Grondw. van
1815, art. 91.)
Art. 94. De Leden der Staten-Generaal kunnen niet te gelijk
zijn Leden van de Rekenkamer...”
|
|
| 3 |
 |
“...inmiddels in dezelve, door eene nieuwe Wet, veranderingen
gemaakt mogten worden. (Grondw. van 1815, art. 124—125,
gewijzigd.)
Art. 125. De uitgaven voor ieder Departement van Alge-
meen Beduur maken een afzonderlijk hoofdfluk der algemeene
begrooting uit.
Elk dezer hoofdflukken wordt bij eene afzonderlijke Wet
voorgedragen en vastgefleld.
De penningen, voor een Departement toegeflaan, kunnen al-
leenlijk en bij uitlluiting worden gebruikt voor uitgaven, tot
dat Departement behoorende, zoodat geene fom kan worden
overgefchreven van het eene hoofdfluk van Algemeen Beftuur
op een ander, dan met gemeen overleg der Staten - Generaal.
(Grondw. van 1815, art. 127, gewijzigd.)
Art. 126. De Koning doet jaarlijks aan de Staten - Generaal
een titvoerig verflag geven van het gebruik der geldmiddelen.
De ontvangften en uitgaven, van ieder afgeloopen dienstjaar,
door de Algemeene Rekenkamer afgefloten zijnde, wordt de al-
zoo afgeflotene rekening, welke zoowel de ontvangften als de
uitgaven moet bevatten...”
|
|
| 4 |
 |
“...worden. (Grondw. van 1815, art. 132.)
Art. 131. In alle fteden worden ingevoerd Kiezerscollegien.
Zij worden éénmaal in het jaar door de Regering bijeengeroepen,
alleenlijk tot het bedoelde einde, om de Raadplaatfen, in dien
tusfchentijd opengevallen, door bevoegde perfonen te vervul-
len. (Grondw. van 1815, art. 133.)
Art. 132. De openvallende plaatfen in de Kiezerscollegien
worden vervuld bij meerderheid van ftemmen der: gezeten bur-
geren, eene zekere, in iedere ftad bij de Wet te bepalen, fom
betalende in de befchrevene middelen. Daarover brengt elk dier
burgeren ééns in het jaar zijne ftem uit, bij behoorlijk getee-
kertde en gefloten briefjes, die’aan de huizen opgehaaïd worden
van wege de Regering. (Gr. van 1815, art. 134, gewijzigd.')
Art. 133. Tot de verkiezing door den Landelijken ftand ter
Provinciale Vergadering, wordt elke Provincie verdeeld in dis-
tricten. (Grondw. van 1815, art. 135.)
Art. 134. Niemand kan te gelijk Lid zijn der Staten van
meer dan ééne Provincie. (Grondw...”
|
|
| 5 |
 |
“...eenig bezwaar voor Holland en zonder benadeeling der uitflui-
tende regten van fouvereiniteit op het grondgebied, hetwelk de
bedoelde weg of het kanaal zoude doorfnijden.
De beide partijen zouden met gemeen overleg het bedrag en
de wijze van heffing der regten eu tolgelden regelen, die op
zoodanigen weg of kanaal zouden worden geheven.
Art. XIII.
$ i. Te rekenen van den iften Januarij 1839 zal Belgie,
uit hoofde der verdeeling van de openbare fchulden van het
Koningrijk der Nederlanden, met eene fom van vijf millioen
Nederlandfche guldens aan jaarlijkfche renten belast blijven,
waarvan de kapitalen van het debet des Amfterdamfchen groot-
hoeks of van het debet der Algemeene Rijkskas van het Ko-
ningrijk der Nederlanden, op het debet van het Belgifche
grootboek zullen worden overgebragt.
§ 2. De kapitalen en renten> die, ten gevolge der voorgaan-
de paragraaf, tot een gezamenlijk bedrag van 5,000,000 Neder-
landfche guldens jaarlijkfche renten op het debet van het Belgi-
fche grootboek zullen...”
|
|
| 6 |
 |
“...74 TRACTATEN van i83g.
uit zijne vereeniging met Holland voortvloeit, en'alle andere
reeds gemaakte of nog te maken nationale Belgifche fchuld.
§ 3. De afbetaling der hierboven vermelde fom van 5,000,000
Nederlandfche guldens aan jaarlijkfche renten zal regelmatig van
halfjaar tot halfjaar, hetzij te Brusfel, hetzij te Antwerpen, in
gereed geld plaats hebben, zonder eenige korting, van welken
aard die ook mogt zijn, noch voor het tegenwoordige, noch
voor de toekomst.
§ 4. Door middel van de vestiging der gezegde fom van
5,000,000 guldens aan jaarlijkfche renten, zal Belgie van alle
verpligting jegens Holland , uit hoofde der verdeeling van de
openbare fchuld van het Koningrijk der Nederlanden, ontlast
zijn.
§ 5. Wederzijds benoemde Commisfarisfen zullen , binnen
een tijdsverloop van veertien dagen, in de ftad Utrecht bijeen-
komen, ten einde zich met de overdragt der kapitalen en ren-
ten bezig te houden, die, uit hoofde van de verdeeling der
openbare fchulden van het Koningrijk der Nederlanden...”
|
|
| 7 |
 |
“...eenig bezwaar voor Holland en zonder benadeeling der uitflui-
tende regten van fouvereiniteit op het grondgebied, hetwelk de
bedoelde weg of het kanaal zoude doorfnijden.
De beide partijen zouden met gemeen overleg het bedrag en
de wijze van heffing der regten en tolgelden regelen, die op
zoodanigen weg of kanaal zouden worden geheven.
Art. XIII.
$i. Te rekenen van den riten Januarij 1839 zal Belgie,
uit hoofde der verdeeling van de openbare fchulden van het
Koningrijk der Nederlanden, met eene fom van vijf miilioen
Nederlandfche guldens aan jaarlijkfche renten belast blijven,
waarvan de kapitalen van het debet des Amfterdamfchen groot-...”
|
|
| 8 |
 |
“...te maken; en Belgie verbindt zich, om noch voor
het tegenwoordige, noch voor de toekomst, eenig onderfcheid
te maken tusfchen dat gedeelte zijner openbare fchuld, hetwelk
uit zijne vereeniging met Holland voortvloeit, en alle andere
reeds gemaakte of nog te maken nationale Belgifche fchuld.
§ 3. De afbetaling der hierboven vermelde fom van 5,000,000
Nederlandfcbe guldens aan jaarlijkfche renten zal regelmatig van
halfjaar tot halfjaar, hetzij te Brusfel, hetzij te Antwerpen, in
gereed geld plaats hebben, zonder eenige korting, van welken
aard die ook mogt zijn, noch voor het tegenwoordige, noch
voor de toekomst.
§ 4. Door middel van de vestiging der gezegde fom van
5,000,000 guldens aan jaarlijkfche renten, zal Belgie van alle
verpligting jegens Holland, uit hoofde der verdeeling van de
openbare fchuld van het Koningrijk der Nederlanden, ontlast
zijn.
§ 5. Wederzijds benoemde Commisfarisfen zullen , binnen
een tijdsverloop van veertien dagen, in de ftad Utrecht bijeen-
komen, ten einde zich...”
|
|
| 9 |
 |
“...deze termijn, om bijzondere redenen, door
den Koning ware verlengd.
Art. 30. Wegens betalingen uit de posten, die voor gehei.
me uitgaven, bij de berekeningen tot grondllag der begrooting,
van eenig Departement van Algemeen Beduur mogten zijn uit-
getrokken , zal door de Algemeene Rekenkamer geene overleg-
ging van bewijsftukken worden gevorderd. Wanneer dit door
den Koning, in bijzondere gevallen, mogt worden bepaald, zal
die vrijftelling zich ook uitftrekken over betalingen, aangewe-
zen op de fom, bij de Wet van onvoorziene uitgaven, ter
Zijner befchikking gefteld.
Art. 31. Op den laatften December van het jaar, volgende
op het dienstjaar, en alzoo nadat geboekt zijn al de ftukken
van uitgaven, welke nog gedurende die maand bij haar zijn
ingekomen, zal de Algemeene Rekenkamer de begrootingen in
hare registers affluiten, en daarop geenerhande uitgaven meer
toelaten.
Deze bepaling zal worden toegepast aanvankelijk op de be-
grooting over 1841.
Art. 32. De Algemeene Rekenkamer zal, zoo min...”
|
|
| 10 |
 |
“...aangefchreven, om dezelven binnen eenen be-
paalden termijn in te zenden; bij voortdurende nalatigheid zal
hun, onder oplegging eener geldboete, nog een laatfte termijn
kunnen worden voorgefchreven; doch mogt, na verloop van
dien, de rekening nog niet ontvangen zijn, zal zij de zaak ter
kennis brengen van het Departement, waaronder de rekenpligti-
ge behoort, en inmiddels hare medewerking weigeren tot de
uitbetaling van alle dienstwedden als anderzins, ten zijnen be-
hoeve.
Het bedrag der op te leggen fom, ingeval van nalatigheid,
zal door de Aigemeene Rekenkamer worden bepaald, en in
geen geval de helft van de jaarlijkfche bezoldiging van den...”
|
|
| 11 |
 |
“...indien dezelve
niet meer beloopt dan f 200:
i°. Van alle louter perfonele regtsvorderingen ;
20. Van alle regtsvorderingen tot betaling van renten, huren
en pachten, mitsgaders van interesten of gedeelten van
infchulden, zelfs ingeval de rente, de huur, de pacht
of de hoofdfom der infchuld meer dan f 200 bedraagt,
mits de regtstitel niet worde betwist.
Art. 5g.
Zij zullen, insgelijks zonder hooger beroep, indien de vor-
dering niet meer dan f 50 beloopt, en behoudens hooger be-
roep , tot welke fom de vordering zich mogt uitftrekken, ken-
nis nemen:
i°. Van burgerlijke regtsvorderingen tot vergoeding van fcha-
den, hetzij door menfchen, hetzij door dieren toegebragt
aan land, houtgewas, boom-, tuin- of veldvruchten;
2°. Van zoodanig-herftel aan huizen, woningen, gebouwen
en pachthoeven, hetwelk, volgens de Wet, ten laste
van den huurder valt;
3°. Van betaling van arbeidsloonen aan werklieden, huren
van dienstboden, en het volbrengen van wederzijdfche...”
|
|
| 12 |
 |
“...176
WETTEN en BESLUITEN, in verband
overeenkomflen van meesters en hunne dienstboden of
arbeidslieden.
Arl. 4o.
Zij nemen kennis van burgerlijke regtsvorderingen, ter zake van
mondelingen hoon, zonder hooger beroep, indien de gevraagde
betering zich blootelijk bepaalt tot eene geldfom geen vijftig
gulden te boven gaande, en behoudens hooger beroep, tot
welke hoogere fom de gevraagde betering' moge loopen, of
ook in alle gevallen, waarin, nevens of in de plaats van eenige
geldfom, een verdere eisch tot betering mogt gedaan zijn.
Art. 4i.
Zij nemen insgelijks, behoudens hooger beroep , kennis van
de regtsvorderingen tot ontruiming van huizen, gebouwen, wo-
ningen , pakhuizen, ftallen, zolders en kelders, zonder onder-
fcheid van het bedrag der huur, indien de huurder geen fchrif-
telijk bewijs van beflaande, vernieuwde of verlengde huur te
berde brengt, en in gebreke blijft het perceel te ontruimen.
De bovenflaande bepaling is ook toepasfelijk op pachthoeven,
landerijen, tuin- en andere gronden...”
|
|
| 13 |
 |
“...hadden voorbehouden.
Art. 44.
De Kantonregters vonnisfen over alle overtredingen, op wel-
ke geene-hoogere ftraf is gefteld dan eene gevangenisdraf van
zeven dagen, of eene geldboete van 75 gulden, te zamen of
afzonderlijk, zonder aanzien of die draf al dan niet gepaard
gaat met de verbeurdverklaring van eenige voorwerpen.
Hunne vonnisfen zijn aan hooger beroep onderworpen: met
uitzondering van het geval, dat tegen de overtreding geene
hoogere of andere draf is bedreigd, dan eene geldboete, de
fom van ƒ 20 niet te boven gaande.
De bovendaande bepalingen zijn niet toepasfelijk op overtre-
dingen ter zake van belastingen, welke alle door de Arrondis-
fements - regtbanken worden beregt, voor zoo ver bij de Wet
niet een hooger Regter is aangewezen.
Zij nemen insgelijks kennis van de vordering tot vergoeding
van kosten en fchaden, ten behoeve der beleedigde partij ,
wanneer die vordering geen ƒ 50 te boven gaat. Wanneer die
vordering ƒ 50 te boven gaat, moet dezelve bij eene afzonder-
lijke actie...”
|
|
| 14 |
 |
“...gefchiedt op gefpecificeerde en op zegel
gefchrevene rekeningen of declaratien, waarop iedere post, zoo
van falaris als verfchot, behoorlijk moet zijn omfchreven, en
het bedrag van iederen post afzonderlijk moet zijn uitgedrukt.
Naast de voor iederen post uitgetrokkene fom zal een wit vak
worden opengelaten. De indiening ter taxatie gefchiedt zonder
andere formaliteit, dan dat onder de rekening of declaratie
wordt gefield: ter taxatie ingediend door........., met de
onderteekening en dagteekening.
ÏVij ze van taxatie.
Art. 7. Wanneer bij de taxatie een post onaannemelijk of te
hoog gefield wordt geoordeeld, zal, het daarvoor uitgetrokken
bedrag worden doorgehaald , en in het daarneven opgelaten wit
vak worden gefield: nihil, of wel de fom, waarop de post
■wordt getaxeerd.
Aan het flot der rekening of declaratie zal, na de taxatie,
eenvoudig worden. gefield : goedgekeurd ter fomme van.......
met uitdrukking van het geheel bedrag, waarop dezelve wordt
getaxeerd , en met bijvoeging der dagteekening...”
|
|
| 15 |
 |
“...goederen zijn toegewezen :
Wanneer de prijs de fom van ƒ 3000.00 niet te boven
gaat, één per cent;
Van de hoogere fommen boven de f 3000.00 tot,
ƒ 10,000.00, een half per cent van het hoogere;
Van de hoogere fommen boven de f 10,000.00 tot
f 25,000,00, één vierde, en boven de ƒ 25,000.00 onbe-
paald , tot welk eene fom, een achtfte per cent van het
hoogere.
Art. 43. De Procureurs, bij de Provinciale Geregtshoven en
den Hoogen Raad postulerende of toegelaten, gedragen zich ins-
gelijks naar vorenftaand Tarief, doch, bij de Provinciale Hoven,
met verhooging van 1/5 op elk artikel, en van 2/5 bij den Hoo-
gen Raad, in revilie, casfatie of in hooger beroep uit de Ko-
loniën.
Art. 44. Ten aanzien van de uitfchotten, door de Procureurs
te doen, wordt bepaald hetgeen volgt:
a. Zij zullen, bij den aanvang der zaak, van hunne cliënten
moeten vragen, en zulks met uitdrukkelijke aanhaling en
mededeeling van dit geheele artikel, het Horten van zekere
fom, tot beftrijding der te doene uitfchotten, en...”
|
|
| 16 |
 |
“...de Provinciale Hoven, met één zesde.
Voor zoo verre niet bij fommige artikelen eene bijzondere be-
paling ten hunnen aanzien wordt gevonden.
ZEVENDE HOOFDSTUK.
Tarief van kosten voor het onderhoud, van
perfonen, bij lijfsdwang aangetast
en gegijzeld.
Art. 65. De fom, welke de fqhuldeifcber, iedere 30 dagen,
op grond van art. 592 van het Wetboek van Burgerlijke Regts-
vordering, zal gehouden zijn aan den Concierge voor te fchie-
ten, tot onderhoud van zijnen fchuldenaar in de gijzeling, zal
bedragen, gedurende de zes zomermaanden, te rekenen van dep
iften April tot de» iften October, twintig gulden (ƒ 20.00), en
voor de zes wintermaanden vijf en twintig gulden (ƒ 25.00) ,
per dertig dagen.
Art. 66. Tegen genot van de opgemelde fom zal de Cipier
verpligt zijn, in alles voor de noodige voeding en alle verdere
verpleging van den gegijzelde te zorgen, overeenkomftig de ver-
ordeningen voor de verpleging der gevangenen beftaande; zullende
evenwel bij die verordeningen worden gezorgd, dat de gegijzel-...”
|
|
| 17 |
 |
“... wat de wedden en belooningen de fom van
twaalf duizend gulden te boven gaan; mitsgaders, dat de in-
houdingen der gpheele wedden of belooningen, bedoeld in $ c,
zich insgelijks nimmer verder zullen uitftrekken, dan tot de ge-
zegde fom van twaalf duizend gulden; welk bedrag van twaalf
duizend gulden alzoo, in de beide opgenoemde gevallen, als
maximum zal worden befchouwd.
Art. 19.
De Ambtenaren, die eene vaste wedde of belooning genieten
van honderd gulden of minder, zullen zijn vrijgefteld niet al-
leen van de korting bij § b van het voorgaande art. 18 ver-
meld, maar ook bovendien van de inhouding van het eerde
jaar van zoodanige wedde of belooning.
De Ambtenaren, eene vaste wedde of belooning genietende
van meer dan honderd tot drie honderd gulden ingelloten, zul-
len flechts van de inhouding van het éerde jaar derzelve zyn
vrijgefteld.
Met betrekking tot de Ambtenaren , wier wedden of beloo-
ningen meer dan drie honderd gulden bedragen, doch de fom
van vier honderd gulden niet te boven...”
|
|
| 18 |
 |
“...in het Fonds te deelen, zal zulks
door den Raad kunnen worden toegeftaan, onder de navolgen-
de bepalingen:
a. Dat de bedoelde Ambtenaren zich, binnen de eerde zes
maanden na het in werking brengen van dit Reglement,
of, voor hen die later worden aangedeld, binnen de
eerde zes maanden na hunne benoeming, aan den Raad
vervoegen, en hun verlangen tot deelneming voor hunne
leges of emolumenten te kennen geven;
b. Dat zij tevens opgeven de fom, voor welke zij verlan-
gen, wegens deze leges of emolumenten, in het Fonds
te worden toegelaten;
c. Dat de gezegde fom zoo laag kan worden gedeld, als
de adresfanten verkiezen, doch dat aan den Raad zal
zijn overgelaten, de gedane opgave te verminderen, voor
zoo verre dezelve overdreven mogt voorkomen;
d. Dat de eenmaal gedane keuze zal zijn onherroepelijk, en
van kracht blijven, zoo lang de Ambtenaren niet in an-
dere ftandplaatfen overgaan , zonder dat eenige vermeer-
dering of vermindering, uit welken hoofde ook, zal
worden toegelaten;
e. Dat bij iedere...”
|
|
| 19 |
 |
“...plaats hebben, als de Ambtenaren in het Fonds
worden geadmitteerd voor de fom, waarmede derzelver beloo-
ningen mogten worden verminderd.
Art. 25.
Hij, die zijne contributie op den bepaalden tijd niet betaalt,
zal aan de voldoening eener dubbele contributie over den ter-
mijn, waarvan de betaling niet heeft plaats gehad, worden on-
derworpen.
Weigering van betaling heeft ten gevolge, verlies van het
regt op penfloen.
Art. 26.
Wanneer het te eeniger tijd mogt blijken, dat de inkomilen
van het Fonds niet toereikende zullen zijn om de uitgaven te
dekken, zal de Raad zich tot het verkrijgen van onderfteuning
aan den Koning kunnen wenden.
VIERDE HOOFDSTUK.
Van de uitgaven en lasten.
Art. 27.
Het penfioen wordt bepaald, voor ieder jaar dienst, op een
zestigile deel der fom, van welke de Ambtenaar aan het Fonds
heeft bijgedragen; met dien verftande, dat het penfioen, in
geen geval, het tweederde gedeelte van de gezegde fom zal
mogen te boven gaan, en nimmer meer dan vier duizend gul-
den zal mogen...”
|
|
| 20 |
 |
“...altoos een vijfde.
Alles met dien verflande, dat in geen geval eene wedde of
belooning, door zoodanigen aftrek, tot beneden duizend gul-
den zal worden verminderd.
Art. 3 o.
Voor de wedde of belooning, welke moet dienen tot grond-
flag der berekening van het bedrag van het penfioen, zal wor-
den genomen het juiste een derde gedeelte van de fom , van
welke de te penfioneren Ambtenaar, gedurende de zes en dertig
laatfte maanden van zijne dienst , het verfchuldigde aan het
Fonds heeft bijgedragen.
Art. 3i.
In die gevallen, dat een te penfioneren Ambtenaar meer dan
éénen post mogt hebben bekleed, zal zijn penfioen worden
berekend naar evenredigheid der geheele fom, van welke de te
penfioneren Ambtenaar aan het Fonds heeft bijgedragen, over-
eenkomftig art. 2 en 30.
Art. 32.
In het geval dat een Ambtenaar, aan wien bereids een ander
penfioen mogt zijn toegeftaan, ten laste van het Fonds zou
moeten worden gepenfioneerd, zullen al zijne dienften, dat is,
dienften voor het Fonds geldig, in aanmerking...”
|
|