Your search within this document for 'fom' resulted in 25 matching pages.
 
1

“...andere partij overgaan. Art. 16. Er is overeengekomen, dat alle rekeningen of vor- deringen, voortgefproten uit de teruggave van Java en andere etablisfementen aan de Officieren van Zijne Majesteit den Ko- ning der Nederlanden in Oostindië, zoo wel die, welke het onderwerp hebben uitgemaakt eener conventie op Java, den 24ften Junij 1817, tusfchen de Commisfarisfen der beide Natiën gefloten, als alle andere, hoe ook genaamd, finaal en ten volle afgedaan zullen zijn, behoudens de betaling eener fom van...”
2

“...vallen, moeten door den fchipper of eigenaar gedragen worden. Art. 64. De fchepen en vaartuigen, uit welke de goederen gelost zijn, of waarin zij geladen en vervoerd zijn, zijn ver- bonden en executabel voor de betaling van al de geflelde.hqe- ten. Art. 65. Die zich feitelijk tegen de beambten der in- en uitgaande regten yerzet, of hen in de uitoefening hunner ambts- pligten beleedigt, zal, naar mate van de omflandigheden, met geefeling, bannisfement, of eene geldboete, niet te boven- gaande de fom van duizend gulden, geflraft worden....”
3

“...onderiteuning benoodigd hebben, en dat het groot belang van het Rijk bij die bezittingen, en bij de regelmatige werking van de Regering in dezelve, eene tusfchenkomst van het crediet van het moederland, omtrent de daartoe te nemen voorzienin- gen , allezins wettigt; Zoo is het, dat Wij, den Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verltaan, gelijk Wij goedvinden en verftaan bij deze: Art. 1. Ten behoeve van des Rijks Overzeefche bezittingen zal eene fom, niet te boven gaande twintig millioenen guldens, gevestigd op de territoriale en andere inkomften en bezittingen van het Rijk in Oostindië, onder den na te melden waarborg van den Staat, worden opgenomen. Art. 2. De wijze, op welke, zoowel als de tijd en de ter- mijnen, binnen welke die gelden zullen gevonden en verftrekt worden, zal nader door Ons worden bepaald. 9*...”
4

“...l32 KOLONIËN. Art. 3. Tot voldoening der renten en tot aflosfing van het kapitaal zal jaarlijks, te beginnen met het jaar 1826, uit de geldmiddelen van de Overzeefche bezittingen worden afgezon- derd eene fom van ten minfte één millioen viermaal honderd duizend gulden. Art. 4. Tot het bedoelde einde wordt, voor zoo veel des noods, gedurende een tijdvak van dertig jaren, van 's Rijks- wege gewaarborgd eene fom van één millioen viermaal honderd duizend gulden jaarlijks. Art. 5. ^ij de overweging der fchuld in den jare 1849, zal bepaaldelijk in aanmerking worden genomen, of en in hoe ver- re de ftand van de leening, in verband tot de aangelegenheden van ’s Rijks Overzeefche bezittingen, het raadzaam zal maken, die jaarlijkfche uitkeering met den jare 1850 te verminderen of geheel te doen ophouden, en mitsdien, in overeenflemming daarmede, den toegezegden dertigjarigen waarborg te beperken. Bovendien zal om de vijf jaren, te beginnen met het jaar 1831, aan de Staten-Generaal opening gegeven...”
5

“...dens , bepaald bij de wet van den 23jien Maart 1826 (Staatsblad n°. 12). Wij WILLEM, enz. Allen, die deze zullen zien of hooren lezen, falut! doen te weten: Alzoo Wij in overweging genomen hebben, dat bij het te ver- wachten herftel van de rust op het eiland Java aan het Beftuur der Oostindifche bezittingen eenige meerdere ruimte van gelden behoort te worden verfchaft, ten einde de geldmiddelen aldaar te eerder op eenen geregelden voet gebragt en in ftaat gefield worden tot de afzondering der fom van één millioen viermaal honderd duizend gulden, jaarlijks bepaald voor rente en aflosfing der leening, vastgefteld bij de wet van den 23lten Maart 1826 (,Staatsblad n°. 12); Dat de wijze, waarop het kapitaal van die leening is opge- nomen, toelaat, om hetzelve ter bereiking van het gemelde oogmerk te verhoogen, zonder de werking van den waarborg te verlengen, dan bij de gedachte wet als mogelijk was ver- onderlield; Zoo is het, dat Wij, den Raad van State gehoord , en met gemeen overleg van de...”
6

“...i54 KOLONIËN. Art. a. Al de bepalingen van de bij het vorige artikel ver. melde wet zijn op de vermeerderde leening toepasfelijk, blij- vende de waarborg van ’s Rijkswege, voor zoo veel des noods, gedurende een tijdvak van dertig jaren toegezegd, op de jaar- lijkfche fom van één millioen viermaal honderd duizend gulden vastgefteld. Lasten en bevelen, dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst, en dat alle Ministeriële departementen, autoriteiten, collegien en ambtenaren aan de naauwkeurige uitvoering de hand zullen houden. Gegeven te 's Gravenhage, enz....”
7

“...vijftien millioenen Sicca ropijen, eene fom, welke door twintig millioenen Nederlandfche guldens ruim vertegenwoordigd wordt, en men heeft alzoo, alles in aanmerking genomen, vermeend, zich deze fom als het maximum der te doene ligting te kunr nen voorfchrijven. Andere maatregelen, reeds door den Koning genomen, en waarvan, zoo veel noodig, in den loop van dit ftuk, nader zal worden gefproken, wettigen allezins de verwachting, dat een crediet van twintig millioenen guldens genoegzaam zal zijn, om de Indifche financiën te brengen op eenen vasten voet, en om aan dezelve op den duur voordeelige uitkomften te ver- zekeren. II. De hoegrootheid en de aard van den waarborg, door het Rijh te geven. Naar den tegenwoordigen Hand van den interest laat het zich aanzien, dat zoo, gedurende een tijdvak van dertig jaren, jaar- lijks eene fom van één millioen viermaal honderd duizend gul- den uit de inkomften van de Overzeefche bezittingen wordt afgezonderd, die fom meer dan voldoende zal zijn, om eene leening...”
8

“...ê i42 KOLONIE N. III. Aanwijzing der middelen, die de Koloniën bezitten , om de fchuld te kwijten, buiten bezwaar van het moederland. Men heeft te eerder gemeend, den waarborg des Rijks, tot gerustftelling des geldfchieters, te mogen vragen, omdat er alle grond beftaat, om te gelooven, dat die waarborg nimmer zal bebóeven te worden aangefproken, maar dat de inkomften van Nederlandsch Indië meer dan genoegzaam züllen zijn, óm te voldoen aan de verpligting, tot nitkeering eener fom van f 1,400,000.00 jaarlijks. De volgende aantooning van zaken zal dit genoegzaam duidelijk maken. De inkomften en uitgaven van Nederlandsch Indië zijn, in het tijdvak van 1817 tot 1823, volgens de opgave uit Indië, geweest als volgt: Inkomften. Uitgaven. 1817. f 18,278,105. f *7,3P9>426. 1818. 23,452,482. 19,804,216. 1819. 22,240,374. 21,071.513. |820. 23,765,979. 25,070,542- i8ai. 21,071,225. 23,836,810. 1822. 22,^18,812. 22,654,976. 1823. 21,889,883. 22,115,133- Over bet jaar 1824 is nog ilechts ontvangen de...”
9

“...maatregelen zijn nader opg’evolgd geworden door de zending van eenen Commisfaris-Generaal, aan wien , onder an- deren , flellig in last is gegeven, om voor de flipte nakoming der reeds afgevaardigde voorfchriften tot befparing te waken, en om verder alles te bezuinigen, wat daarvoor mogt worden vatbaar bevonden. Wanneer men in aanmerking neemt, dat, voor de nu afge- fchafte departementen van de civiele gebouwen en werken en waterflaat, gemiddeld van het jaar 1818 tot 1824, jaarlijks is bedeed eene fom van acht tot negen ton; dat voorts de inte- resten op het rentegevende en almede in te trekken papieren geld, in de laatfte tijden, hebben bedragen omtrent ƒ 400,000 ’s jaars, en dat dus deze twee posten van bezuiniging reeds...”
10

“...KOLONIËN. i45 nagenoeg het beloop der, volgens bet ontwerp van wet, af te zonderen jaarlijkfche fom van ƒ 1,400,000.00 evenaren, dan is het niet moeijelijk, ook zonder eene naauwkeurige kennis van de gefteldheid van Nederlandsch Indië, zich de overtuiging te verfchaffen,- dat de voorgefchrevene bezuinigingen die heilzame uitwerking op den ftaat der Indifche geldmiddelen zullen te weeg brengen, die men er zich van voorftelt, en dat het niet onder de waarfchijnlijkheden kan worden gefteld, dat de Staat immer wegens den te geven waarborg zal worden aangefpro- ken. VIII. DEEL. 10...”
11

“...goedvinden en verftaan bij deze: Art. i. Ten behoeve van ’s Rijks Overzeefche bezittingen wordt geopend een crediet van vijftien millioenen guldens; zul- lende de fom, die, ten gevolge van deze crediet-opening, door Ons zal worden opgenomen, worden befchouwd als ge- vestigd op de territorialen en andere inkomften en bezittingen van het Rijk in Oostindië, in het gemeen, en op dezelfde wijze als de leening van twintig millioenen, bepaald bij de wet den 2 3 ft en Maart 1826. Art. 2. De wijze op welke, zoowel als de tijd en de ter- mijnen binnen welke die gelden zullen gevonden en verftrekt worden, zullen nader door Ons worden bepaald. Art. 3. Tot voldoening der renten van de op te nemen gel- den en tot afiosfing van kapitaal, zal jaarlijks, te beginnen met het jaar 1829, uit de geldmiddelen der Overzeefche bezittingen worden afgezonderd eene fom van één millioen vijftig duizend...”
12

“...KOLONIËN. i4 7 gulden, of zoo veel minder als naderhand blijken zal tot kwij- ting der op te nemen fom noodig te zijn. Art. 4. De voormelde fom van één millioen vijftig duizend gulden, of zoo veel minder als naderhand blijken zal noodig te zijn, wordt, voor zoo veel noodig, van 's Rijkswege ge- waarborgd , gedurende den tijd van zes en twintig jaren, te beginnen met het jaar 1829. Art. 5. Bij de overweging der fchuld in den jare 1849, zal bepaaldelijk in aanmerking worden genomen, of en in hoe verre de (land van de leening en verband tot de aangelegenheden van 's Rijks Overzeefche bezittingen het raadzaam maken, die jaar- lijkfche uitkeering met den jare 1850 te verminderen, of geheel te doen ophouden, en mitsdien, in overeenftemming daarmede, den toegezegden waarborg te beperken. Bovendien zal, te beginnen met 1831, om de vijf jaren, aan de Staten-Generaal opening gegeven worden van het beloop der afbetalingen, uit de middelen van die bezittingen gedaan, en van den geldelijben toeftand...”
13

“...’s Rijks Over- zeefche bezittingen, zoude worden opgenomen eene fom , niet te boven gaande twintig millioenen guldens, gevestigd op de territoriale en andere inkomlten van het Rijk in Oostindië, on- der den waarborg van den Staat, en dat de wijze op welke, zoowel als de tijd en de termijnen binnen welke die gelden zouden gevonden en verftrekt worden, nader door Ons zouden worden bepaald; Gezien de wet van den 22ften December 1827 (Staatsblad n°. 63), waarbij is vastgefteld, dat de leening van twintig millioenen guldens, bepaald bij de wet van den 23ften Maart 2826, zal kunnen vermeerderd worden met twee millioenen zevenmaal honderd duizend gulden, en alzoo gebragt tot twee en twintig millioenen zevenmaal honderd duizend gulden; Gezien de wet van den 27ften December 1828 {Staatsblad n°, 90), waarbij, ten behoeve van ’s Rijks Overzeefche bezit- tingen, wordt geopend een crediet van vijftien millioenen gul- dens , zullende de fom, die, ten gevolge van deze crediet. ope- ning , door Ons zal worden...”
14

“...het Amortifatie - fyndicaat in (laat te (lellen, zoowel om ten diende der Overzeefche bezittingen gelden te verfchaffen op het crediet van vijftien millioenen, bij de wet van den 27den December 1828 geopend, als om zich zelf te dekken voor de betalingen , welke, ter zake van de eerde leening, ten gezamenlijken bedrage*van twee en twintig millioenen zevenmaal honderd duizend gulden, door hetzelve uit eigene middelen zijn gedaan, voor zoo verre die niet reeds gedeeltelijk zijn terug gegeven uit de fom van één millioen viermaal honderd duizend gulden, bij de wet van den 23den Maart 1826, tot rentebetaling en aflosfing van evengemeld ka- pitaal aangewezen;-gelijk ook om goed te maken de kosten, waarmede deze operatien gepaard gaan; • Op het voordel van de Permanente Commisfie uit het Amor- dfatie-fyndicaat, Onzen Minister van Financiën gehoord; Hebben befloten en befluiten: Art. 1. Het Amortifatie - fyndicaat wordt gemagtigd tot het daardellen van bewijzen'van déelgeving in de geldleeningen ,...”
15

“....... - 15,000,000. Te zamen......... ƒ 19,019.401. Aannemende, dat met de reeds aan Indië verftrekte geldelijke hulp, bij de wetten van den 23ften Maart 1826 en 22ften De- cember 1827, al de fchulden zijn aangezuiverd, ook die, welke de oorlog in 1825 veroorzaakt heeft, en dat de inroeping, ge- durende drie jaren, van ’s Rijks waarborg voor de bij art. 4 der eerstgemelde wet vermelde fom van f 1,400,000, het In- disch Befluur nader beeft gefubfidieerd met f 4,200,000 , dan zou nog, zoo men van de bovenftaande fom ƒ 19,019,401 af- trekt....................................... - 4,200,000 overblijven eene fom van..................../14,819,401,0m aan Indië' te worden bezorgd. — Deze berekening heeft ten grondflag geftrekt tot het voordel eener crediet-opening van vijftien miilioenen, waarvan geen verder gebruik zal worden gemaakt, dan de omftandigheden zullen vorderen. Op ’s Konings bevel worden op dit oogenblik nieuwe maatre- gelen beraamd tot demping der heerfchende onlusten , van wel- ke...”
16

“...gedekt worden, iudien de geld- middelen onzer Koloniën niet op nieuw in dien verwarden toe- ftand zullen geralten, waaruit zij naauwelijks, met groote op- offeringen van onze zijde, gered zijn. Onze tegenwoordige beraadflagingen betreffen dus eigenlijk de verevening van eenen aanwezigen achterftand en de dekking der buitengewone behoef- ten voor 1829, die op vijf millioenen geraamd zijn. Men moet voorts in het oog houden, dat wij van deze oor- ' logslasten, die te zamen 19 millioenen beloopen, eene fom van ƒ 4,200,000 aftrekken, en met het Indisch Beduur voor de af- betaling van hoofdfom en renten der vroegere geldleening ver- rekenen. In weerwil dus van de moeijelijke omftandigheden,...”
17

“...ponden fterling. Maar vooral voor de Staten van den tweeden rang, welker inlandsch verbruik altijd meer beperkt is, zijn de Kolo- nien van het hoogde aanbelang. Welk eenen belangrijken in- vloed onze Oostindifche bezittingen, in de laatde jaren, op den bloei van onzen handel en fabrijken hebben uitgeoefend, is dan ook niet moeijelijk aan te wijzen. Vóór het verval van onzen grooten handel zond de Oostin- difche Compagnie jaarlijks 6 k 7 millioenen in gemunt geld naar Java en de Molukken, welke fom nagenoeg overeenkwam met de aankoopen, die zij daar deed. Sedert hadden de En- gelfchen en Amerikanen zich bijna geheel van den handel op die eilanden meester gemaakt. Zij kochten de voortbrengfelen van den grond en vooral de koffij op, en betaalden dezelve, de Engelfchen in fabrijkgoederen en de Amerikanen in geld. In het jaar 1823 liepen er in de havens van Java nog 30 Ame- rikaanfche fchepen binnen. Drie jaren daarna, toen de Handel- maatfchappij hare werking reeds tot die Kolonie uitftrekte...”
18

“...zijnen post volgt. Art. 41. De Prefident, de Directeuren en den Secretaris ge- nieten vaste traktementen, die bij deze worden bepaald als volgt: Voor den Prefident..........ƒ 12,000 ’sjaars; „ de Directeuren..;---------- 8,000 „ „ den Secretaris. ......... 7,000 „ Wanneer, boven den vasten interest van vier en een half ten honderd, een dividend wordt uitgekeerd, geniet elk lid der Directie, benevens de Secretaris, behalve deze traktementen, nog een half ten honderd van de ter uitdeeling beftemde fom. Art. 42. De Directie beftuurt alle inkoopen, verkoopen, inhuringen, beftedingen en verdere handelingen der Maatfchap. pij ; beraamt hare fpecuiatien, voert dezelve uit, of doet de- zelve uitvoeren, en geeft alle bevelen, daartoe betrekkelijk ; zij heeft het beheer der kas, en regelt de verzendingen van gelden; zij benoemt de Boekhouders en kantoorbedienden, overeenkomftig de bepalingen, door den Raad gemaakt; zij zorgt voor hef houden der boeken in den bepaalden vorm , en oefent het toezigt en...”
19

“...deze Vergadering, als de Directie, ieder afzonderlijk, hunne confideratien aan den Koning onder- werpen , en Hoogstdeszelfs beflisfing op het beftaande verfchil inroepen. Art. 96. De goedgekeurde balans zal, ter inzage van alle ftemgeregtigde deelhebbers, gedurende veertien dagen, liggen, zoo ter Secretarie van de Directie, als op de plaatfen, waar, volgens art. 15, registers der aandeelen berusten. Art. 97. Na de verificatie en goedkeuring der balans, zal in den Raad worden onderzocht, welke fom van de zuivere win- ften overfchiet, na de betaling van den vasten interest van vier en een half ten honderd over het afgeloopen boekjaar, en, na verevening van de verliezen, welke in vroegere jaren mogten...”
20

“...Hoogstdezelve zal oordeelen te be- hooren. Art. 85. Er zal almede zijn een Collegie van Commisfaris- fen voor kleine zaken, bedaande uit eenen Prefident en zes Leden, en geadfisteerd door eenen Secretaris. Art. 87. De Prefident zal den ouderdom van vijf en twin- tig , de Leden en den Secretaris dien van twee en twintig ja- ren moeten vervuld hebben. Art. 88. De Prefident en Leden worden niet bezoldigd. Art. 89. Dit Collegie zal kennis nemen van alle civiele za- ken , niet te boven gaande eene fom van f 250, en daarin regt fpreken. Art. 90. Hetzelve zal geene vonnisfen mogen Haan, dan ten minde met vijf Leden; zullende van alle vonnisfen mogen wor- den geappelleerd aan het Hof van Civiele Justitie, om aldaar definitivelijk te worden getermineerd. Art. 91. De fesfien van dit Collegie zijn bepaald in de maanden February, Mei, Augustus en December. Art. 92. De manier van procederen zal, zoo als die tegen- woordig in gebruik is, provifioneel bij hetzelve worden in acht genomen....”