| 1 |
 |
“...Wallace. Daar ik elders J) deze verdeeling, zooals ze
in verschillende werken door den beroemden Engelschen natuur-
onderzoeker is behandeld, nader heb uiteengezet, zij het mij
vergund, den belangstellenden lezer daarheen te verwijzen.
3. Waar mij zulks noodig en nuttig toescheen, heb ik
de grenzen van onze koloniën overschreden, om de besproken
verschijnselen wat meer algemeen op te vatten. Zoo is
de luchtsgesteldheid in onze koloniën als een deel van het
tropische klimaat voorgesteld. Ook zijn de flora en de
fauna in hare verwantschap met aangrenzende dieren- en
plantengebieden opgevat, en is by de benoeming van zeeën,
eilanden, enz. steeds de algemeene geographies naar
de opvatting der nieuwere geografen, in het oog gehouden.
Bij Insulinde zijn niet alleen de Nederlandsche, maar ook
de Spaansche, Engelsche, Portugeesche en Duit-
sche bezittingen aldaar in de beschrijving opgenomen,
ten einde zoodoende een natuurlijk en afgerond geheel te
verkrijgen. In West-Indië, waar onze koloniën zulk een...”
|
|
| 2 |
 |
“...INHOUD.
AFDEELING I;
INSULINDE.
I. ALGEMEEN OVERZICHT.
a. De zeeën en eilandengroepen.
§ 1. Ligging en grenzen; tijdrekening. § 2. Overzicht der zeeën.
§ 3. Zeestroomingen; eb en vloed. § 4. Overzicht der eilan-
dengroepen ; oppervlakte. § 5. Geologisch overzicht der eilanden.
b. Het klimaat.
§ 6. Het tropische klimaat in het algemeen. § 7. Het klimaat
van Insulinde.
e. De Flora.
§ 8. Tropische wouden. § 9. De belangrijkste groepen der flora.
§ 10. Nuttige gewassen; rijstbouw. § 11. Botanische verdee-
ling van Insulinde.
d. De Fauna.
§ 12. De beteekenis der fauna; Wallace.
e. De Bevolking.
§ 13. De menschenrassen in Insulinde. § 14. De kolonisten in
Insulinde.
H. BESCHRIJVING DER DEELEN.
§ 15. De geographische verdeeling van Insulinde.
A. Aziatisch Insulinde.
§ 16. Verhouding tot het vastland; de fauna.
I. Java, Sumatra en Borneo met de omliggende eilanden.
a. Java met de omliggende eilanden.
I. Beschrijving van Java.
§ 17. Java in het algemeen. § 18. Het bergland van Java in het
algemeen...”
|
|
| 3 |
 |
“...verlengde van Malakka.
I. Beschrijving van Sumatra.
§ 45. Ligging en grootte. § 46. De geologische bouw; de rivier-
dalen.
a. Het bergland van Sumatra.
§ 47. Het bergland van Zuid-Sumatra. § 48. Het bergland van
Midden-Sumatra. § 49. Het bergland van Noord-Sumatra.
b. De laagvlakten van Sumatra.
§ 50. De kleine vlakten der westkust. § 51. De groote oostelijke
vlakte. § 52. Aljeh.
c. De miocene eilandenrij.
§ 53. De eilandenreeks vóór de westkust.
H. Het klimaat, de flora, de fauna en de bevolking
van Sumatra.
§ 54. Het klimaat; de flora en fauna; de cultures en de veeteelt.
§ 55. Beknopt overzicht der bevolking; talen. § 56. De Me-
nangkabausche Maleiers. § 57. De Bataks. § 58. De vesti-
ging en uitbreiding onzer heerschappij; de Atjeh-oorlog. § 59.
Verdeeling en bestuur; inkomsten.
Hl. De eilanden in het verlengde van Malakka.
§ 60. Algemeen overzicht. § 61. Malakka en de Straits Settle-
ments. § 62. De Riouw-Lingga archipel. § 63. Bangka. § 64.
Blitong....”
|
|
| 4 |
 |
“...INHOUD.
XI
c. Borneo en de omliggende eilanden.
I. Beschrijving van het eiland.
§ 65. Algemeen overzicht; houw van het eiland. § 66. Klimaat;
flora en fauna. § 67. Yerdeeling naar de stroomgebieden.
a. De Wester-Afdeeling van Nederlandseh-Bomeo.
§ 68. Het gebied der Boven- en Midden-Kapoeas. § 69. Het del-
tagebied der Kapoeas en zijne omgeving; de vlakte der Pawan
en omgeving. § 70. De vlakte van Sambas en Montrado en
omgeving.
b. De Zuider- en Ooster-Afdeeling van Nederlandsoh-Borneo.
§ 71. Het stroomgebied der rivieren van Zuid-Bomeo. § 72. Het
gebied van Koetei en de kleine vlakten der zuidoostkust. § 73.
De Berouwsche landen; de vlakte van Boelangan en do Ti-
doengsche landen.
e. Bet niet-Nederlandsche deel van Borneo.
§ 74. Serawak en Broenei. § 75. Het noorden van Borneo; de
British Borneo Company.
H. De bevolking van Borneo.
§ 76. De Dajaks. § 77. De immigranten der omliggende eilanden
en de Yreemde Oosterlingen. § 78. Onze vestiging op Borneo;
verdeeling naar het bestuur; contracten;...”
|
|
| 5 |
 |
“...INDli: TOT HET MOEDERLAND; HET BESTUUR.
§ 112. Het burgerlijk bestuur. § 113. Het rechtswezen; slavernij
en pandelingschap; heerendiensten. § 114. De land- en zee-
macht. § 115. Het financiewezen; verpachte en niet-verpachte
middelen. § 116. Yerkeer met Nederland; de Handelmaat-
schappij; industrie. § 117. De zending; het onderwas.
AFDEELING II.
SURINAME EN NEDERLANDSCH WEST-INDIE.
1. SURINAME.
§ 118. Ligging; grenzen en grootte; zeestroomingen en getijen;
klimaat. § 119. Geologie. § 120. De flora; cultures. § 121.
De fauna; veeteelt. § 122. De rivieren. § 123, Plantages;
werkvolk. § 124. De bevolking. § 125. Paramaribo en de
andere nederzettingen. § 126. De vestiging onzer macht; be-
stuur en verdeeling; algemeen overzicht.
H. DE NEDEHLANDSCHE EILANDEN IN WEST-INDIE.
§ 127. Ligging en verdeeling.
a. De groep van Curagao.
§ 128. Algemeen overzicht. § 129. Aruba. § 130. CuraQao.
§ 131. Bonaire.
b. De Nederlandsehe Kleine Antillen.
§ 132. St. Eustatius en Saba. § 133. St. Martin.
§ 134. Bestuur...”
|
|
| 6 |
 |
“...24
De gelijkmatige luchtdruk is oorzaak van de ge-
ringe ontwikkeling van cyclonen, waardoor het tropische
geheel het tegenbeeld wordt van het Atlantische klimaat.
Bij den overvloed van warmte wordt de vochtigheid
der lucht voor de flora en fauna en ook voor den mensch
het hoofdelement van het tropische klimaat, vooral daar
het jaar bijna overal verdeeld is in een nat en een
droog jaargetijde. Blijft de regen in het natte seizoen
uit, dan volgt er onvermijdelijk misgewas en hongersnood.
De gemiddelde jaartemperatuur ligt tusschen 20
en 28° C.; de afstand der isothermen is groot. Bij ons
is de temperatuur wel eens hooger, maar daar de lucht
dan in den regel minder vochtig is, blijft de warmte
minder drukkend; de hooge graad der vochtigheid maakt
tevens, dat de menschen in de tropische luchtstreek voor
eene geringe verandering van temperatuur veel gevoeliger
zijn dan wij. De groote hoeveelheid stralende warmte
veroorzaakt op ontbloote hoofden licht zonnesteek, welke
zich door hevige hoofdpijn...”
|
|
| 7 |
 |
“...zeer duidelijk merkbaar. Oost-
waarts dalen de regencijfers van den drogen moeson,
zoodat de Kleine Soenda eilanden en enkele Molukken,
vooral Timor, reeds eenen werkelijk drogen moeson in ons
zomerhalfjaar hebben, evenals Noord-Australië, waar dan
op de meeste plaatsen geen droppel regen valt. Daardoor
is de aard van den plantengroei op Timor en de overige
Kleine Soenda eilanden veel meer Australisch; op het
eerstgenoemde eiland heerschen zelfs de echt Australische
eucalypten, zooals we bij de flora nader zullen zien.
Deze regenarmoede is het noodwendig gevolg van de her-
komst van dezen zuidoostpassaat; hij kan namelijk uit...”
|
|
| 8 |
 |
“...winter naar Europa, om er, zooals de
term luidt, „uit te vriezen.” Ook in de bergstreken van
Insulinde zelf kan men „eenen frisschen neus ha-
len,” b. v. in de sanatoria of reconvalescenten-
gestichten van het Javaansche bergland, met welke
we later zullen kennis maken.
Opmerkelijk is het echter, dat vele Hollanders, hier
teruggekomen, met heimwee aan het schoone Insulinde
terugdenken en zelfs wel naar hunne plantages wederkeeren.
C. DE FLORA..
Door den overvloed van licht, warmte en vochtigheid
is de tropische natuur gezegend met eene zeer rijke flora,
welke vooral onze bewondering gaande maakt door de
uitgebreide en reusachtige wouden. Gaan we deze bin-...”
|
|
| 9 |
 |
“...bekende raf-
fle sia’s, met hare reusachtige bloemen, de grootste der
geheele wereld, o.a. de schoone rafflesia hasseltii,
beschreven door de leden der Sumatra-expeditie van 1877-79.
De rijkste familie der epiphyten is die der orchideeën,
bekend door hare grillige afwisseling in vorm, grootte
en kleur.
Slechts enkele boomen vertoonen eenen geheel gladden
stam, vrij van lianen en epiphyten; als zoodanig noemen we
den rasamala, den grootsten der Indische woudreuzen
9. De Wanneer we de Indische flora wat van naderbij bezien,
Hgrijkste verdienen allereerst vermelding de palmen. Ze bewonen
roepen .
I flora_ m ± 1000 soorten de heete luchtstreek; hunne uiterste
grenzen zijn 44° N. B. — de dwergpalmen bij Nizza, op
de klimatisch zeer begunstigde Biviera — en eveneens 44°
Z. B. — de arecapalmen der Ohatham-eilanden, ten oos-
ten van Nieuw-Zeeland. In vroegere geologische tijdperken
was hun verspreidingsgebied aanzienlijk grooter; in Midden-
Europa waren ze eenmaal in vrij grooten getale aanwezig;...”
|
|
| 10 |
 |
“...Erde" al het land
verdeehng ^ aarde in 24 floragebieden, van welke een den naam
insuiinde. Indisch Moesongebied draagt en, behalve geheel
Insulinde, ook het noordelijk deel der eilanden van Au-
stralië benevens geheel Achter-en bijna geheel Voor-Indië
omvat. Na Grisebach is dit nieuwe veld der wetenschap
vooral bearbeid door Engler, hoogleeraar te Kiel. Daar
hij gemeend heeft, in Insulinde eene deellijn te moeten
trekken, is het noodig, zijne indeeling wat van naderbij
te bezien. Hij brengt de flora der tropische deelen van
de Oude “Wereld tot één Rijk en verdeelt dit in tien Ge-
bieden; een van deze omvat behalve Insulinde nog Tenas-
serim en Malakka, het zuiden van Birma, dén noordrand
van Australië en de eilandengroepen ten zuidoosten van
Nieuw-Guinea tot en met de Eidzji-eilanden. Dit Malei-
sche Gebied verdeelt Engler als volgt:
a. de “Westelijke Provincie, omvattende
1. dePegoezone, n.1. Pegoe benevens de Anda-
manen en de Nikobaren;
2. de Indo-Maleische zone, n.1. Tenasserimen
Malakka...”
|
|
| 11 |
 |
“...hebben ze zich wel noordwaarts
naar Japan verspreid. De araucariën gaan niet verder
westwaarts dan het Arfak gebergte op Meuw-Guinea.
Sumatra heeft, evenals Java, enkele geslachten alleen met
Malakka gemeen, maar vertoont aan den anderen kant weder
meer overeenstemming met Borneo, waarmede het zeer vele
soorten gemeen heeft. Verschillende familiën, welke ten
oosten van Borneo slechts zwak zijn vertegenwoordigd,
komen ook op de Philippijnen en in Zuid-China, voor
zoover we van deze streken de flora kennen, slechts
spaarzaam voor. De vulkanen van Java dragen vele plan-
ten , welke we eerst in Engelsch-Indië en in den Himalaja
terugvinden; ze bezitten echter alle kleine zaden, meestal
met kleine vliegwerktuigen toegerust, zoodat de wind ze
kan hebben overgebracht. Zoo kunnen ook dieren, welke
de vruchten verslinden, de zaden naar andere streken
overbrengen; vooral bij vogels heeft dit plaats en deze
kunnen de zaadjes ook in de veeren of aan de pooten over-
voeren naar streken, waar ze vroeger...”
|
|
| 12 |
 |
“...dat deze flora veel onder is dan
de flora’s buiten de tropen, doordat de aarde, wat het
klimaat betreft, in de tropische streken veel geringer wij-
zigingen in de jongere geologische perioden heeft onder-
gaan dan daarbuiten. Een ijstijdperk en zijne vernieling
hebben deze streken nooit aanschouwd. Daardoor is de
gestadige ontwikkeling van de plantensoorten niet gestoord
en zijn deze dus wel oorspronkelijk dezelfde, ook op de
eilanden, maar toch, naar de verschillende voorwaarden
van bestaan, welke ze op de verschillende eilanden vonden,
langzamerhand gewijzigd.
Op het voetspoor van Engler heeft Drude eene eenigs-
zins gewijzigde en vereenvoudigde indeeling der flora van
onzen aadbol gegeven. Hij verdeelt de geheele aarde in
15 Rijken en deze in Gebieden. Zijn Indisch
Florarijk komt vrij wel overeen met het IndischeMoe-
songebied van Grisebach; het Maleische Gebied, met
den omvang namelijk, zooals die door Engler werd vast-
gesteld , bevat van de 9 provinciën van dit Indische Flora-
rijk twee...”
|
|
| 13 |
 |
“...61
te voorzien. Daarom "woont hij aan het water. In de
tropische streken is de flora zoo weelderig en levert zoo
overvloedig allerlei producten voor de meest verschillende
levensbehoeften, dat de mensch er met geringe moeite
zich het noodige verschaft. In die rijke flora gaat de fauna
als ’t ware te loor, ofschoon ook deze van de polen naar
den aequator eenen steeds grooteren rijkdom en eene toe-
nemende verscheidenheid te zien geeft.
Het rijkste faunagebied is ongetwijfeld het Indische,
d. w. z. het gebied van Yoor- en Achter-Indië, Zuid-
China en Insulinde tot en met Celebes en Bali. Alleen
wat insecten en vogels betreft, wordt het door Bra-
zilië overtroffen; ook voor de fauna staan deze twee ge-
bieden bovenaan. Het Indische heeft vertegenwoordigers
van bijna alle familiën van Europa, Noord-Azië, Afrilra.
en Australië; bovendien zijn de Indische soorten grooter
dan de Europeesche en Noordaziatische; slechts enkele,
zooals paarden en herten, zijn kleiner. De kleur der
dieren is veel...”
|
|
| 14 |
 |
“...Nieuw-Zeelandsche Gebied (Nieuw-Zee-
land en omliggende eilanden),
d. het Polynesische Gebied (de overige eilanden
van Oceanië).
De Indo- en Austro-Maleische gebieden, welke,
met uitzondering van de Andamanen en Nikobaren, geheel
Insulinde omvatten, behooren dus tot verschillende Rijken,
zoodat hier het verschil veel grooter is dan bij de Flora.
Dit komt ten deele hiervan, dat de planten meer midde-
len hebben, om zich te verspreiden. Bij de fauna hebben
we dus meer den oorspronkelijken toestand voor
oogen; vandaar dat de studie er van zulk eene hooge
waarde heeft gekregen voor de wordingsgeschiedenis onzer
aarde; dat zij ons, vertrouwbaarder dan de flora, vroegere
verschuivingen van de grenzen tusschen land en water
te lezen geeft.
Hoe Wallace geheel Insulinde in vijf groepen ver-
deelde, zagen we reeds (§4). In de onderlinge verhou-
ding dezer deelen leidt, bij den tegenwoordigen stand
der wetenschap, de studie der dierenwereld het best in.
Daarom zullen we de fauna van ieder der vijf deelen...”
|
|
| 15 |
 |
“...de naburige eilanden; in 1822 werd hij hoogleeraar
te Leiden. Twee jaren vroeger was de zoogenaamde
„Natuurkundige Commissie voor Nederlandsch
Indië" ingesteld en deze zond achtereenvolgens ver-
schillende mannen uit, die met meer of minder goeden
uitslag aan de uitbreiding der kennis van de Natuurlijke
Historie onzer kóloniën arbeidden en het beroemde Ko-
ninklijke Museum van Natuurlijke Historie te
Leiden, staande onder den alom vermaarden directeur
Temminck, tot eene schatkamer der Indische flora e
fauna maakten. Van deze mannen, welke hunnen dorst
naar kennis meestal met het leven boetten, noemen we
de Duitschers: Kuhl, Boie, Macklot, Müller,
Horner, Schwaner en Junghuhn (§ 5); de Ne-
derlanders: Van Hasselt, Korthals, Van Oort
en Forsten; den Franschman Diard. Daar de meesten
in Indië overleden, ging er van hunne papieren, tot schade
voor de wetenschap, zeer veel verloren. Enkelen hunner
zullen we bij de eilanden, welke het hoofdterrein hunner
onderzoekingen waren, weder ontmoeten. In...”
|
|
| 16 |
 |
“... landzoogdieren, amphibiën
en lagere diersoorten in aanzienlijke verscheidenheid her-
bergen; ze bestaan uit twee groepen, n.1.
1. eilanden, door eene zeer ondiepe zee — zelden
dieper dan 100 vademen — van het vastland gescheiden,
en daarmede nauw verwant, wat betreft de geologische
structuur van den bodem, de fauna en de flora. Ze be-
zitten al de kenmerken van een deel van het vastland,
waarvan ze, geologisch gesproken, nog niet lang ge-
scheiden zijn geweest, en heeten jonge continentale
eilanden. Yoorbeeld: Groot-Brittanje.
2. eilanden, door een zeebekken van ± 1000 of meer
vademen diepte van het vastland gescheiden en daarmede,
wat de geologie, de fauna en flora betreft, wel verwant,
maar met hoogst eigenaardige, afwijkende dier- enplant-
(...”
|
|
| 17 |
 |
“...77
tensoorten, ■welke op eene zeer langdurige afscheiding
wijzen; vaak zijn deze verwant aan soorten, in ver ver-
wijderde deelen der aarde voorkomende. Deze vroeg af-
gescheiden deelén der vastlanden heeten oude conti-
nentale eilanden. Voorbeeld: Madagaskar.
b. oceanische eilanden, d. w. z. zulke, dienooit
deel hebben uitgemaakt van eenig vastland. Daardoor ont-
breken alle warmbloedige landdieren. De flora en fauna
zijn steeds zeer onvolledig en vertoonen allerhande wan-
verhoudingen, doordat lucht- en zeestroomen nu en dan
enkele levensvatbare individuen of zaden van de omrin-
gende vastlanden aanvoerden. Ze liggen in de bekkens
der oceanen en zijn dus door eene diepe zee omgeven.
De hooge zijn vulkanisch, de lage koraalvormingen. Voor-
beelden: St. Helena (vulkanisch), de Keelings ei-
landen (koraalvormingen).
Passen we deze indeeling op Insulinde toe, dan moeten
Java, Sumatra, Borneo en de Philippijnen in
het westen en Nieuw-Guinea met de omliggende
eilanden in het oosten jonge c...”
|
|
| 18 |
 |
“...Zollinger de bouwvallen
van het eenmaal aan de vlakke zeekust gelegen Modjo-
pahit nu 31 M. boven den zeespiegel liggen.
Verreweg het grootste deel van Java is nog altijd be-
dekt met dichte oerwouden; ze wijken daar natuurlijk
het meest, waar de. bevolking het snelst toeneemt. • Boven
de boomgrens, ± 2§00 M., verheffen zich slechts een
dozijn vulkanische toppen. Hare hoogte hangt op vele
plaatsen meer van het vulkanisme dan van de tempera-
tuur af; bij vulkanische uitbarstingen wordt namelijk de
flora der hoogste deelen nu en dan geheel vernietigd.
I j g
Er 'land tertiaire bodem bestaat meestal uit leem, mer-
|Java inSe^ en zandsteen; zoo deze bestanddeelen kalkachtig
ggiemeen. zijn, zijn ze hros; waar het gesteente kwartsachtig is, zijn...”
|
|
| 19 |
 |
“...88
de dichstbevolkte terreinen en het Gouvernement kweekt
er veel koffie en kina op; meer dan % van al de gou-
vernementskoffie (§ 28 en 48) wordt door hen
geleverd. Ook in dit opzicht is dus de belangstelling in
de vulkanen zeer groot.
De bovenste laag van het Javaansche bergland, van
1 tot 10 M. dikte, bestaat overal uit verweerde rotssoorten
en allerlei vulkanische uitwerpsels. Bovendien heeft de
zeer weelderige flora eene zeer dikke laag vruchtbare,
donkerbruine humus doen ontstaan. Deze aanzienlijke ver-
weering is vooral het gevolg van het vochtig-warme kli-
maat, gesteund door de dichte oerwouden, welke den
bodem tot op steeds grooter diepte loswoelen en tevens
den afvoer van de verweeringsproducten tegenhouden.
Ze keert in alle tropische streken met een overeenkomstig
klimaat terug en werd door Pumpelly met den naam
seculaire verweering bestempeld; het verweerings-
produet kreeg door von Richthofen den naam late-
riet. De dunste verweerde laag vindt men op de boven-
genoemde kalkbanken...”
|
|
| 20 |
 |
“...102
acaciaboschjes met het graskleed af. Tan den Soembing
zuidwaarts strekt zich het holenrijke kalkgebergte
van Menorehuit, dat zich tot bijna 1000 M. verheft,
tot dicht bij de zuidkust loopt en Kadoe en Djokjokarta
van Bagelen scheidt.
Aan den noordoostkant der vallei vindt meninhet
noorden den ruim 2000 M. hoogen, woud- en bronnen-
rijken Oengaran, welks hellingen met trachietblokken
zijn bezaaid. Het Djamboe gebergte, welks schrale
flora langzamerhand plaats maakt voor koffieplantsoenen,
gaat van daar zuidzuidoostwaarts naar de beide hooge
vulkanen aan den oostrand der vlakte. Over dit gebergte
gaat de postweg van Magelang naar de merkwaardige,
ovaalronde dalvlakte van Ambarawa, door de uit-
loopers van den Oengaran en den Merbaboe bijna geheel
omsloten. Ze ligt meer dan 400 M. boven de zee en is
zeer waarschijnlijk door verzakking ontstaan; het groote
moeras in het midden heet Rawah Pening. Door eene
kloof in den noordoostrand ontsnapt het overtollige water,
dat als rivier van Demak...”
|
|