| 1 |
 |
“.... .'............. 1
EERSTE BOEK.
GBONDGËBIED EN VOLK.
Hoofdstuk I. Grondgebied van Nederland ... 19
„ H. Van de bewoners...............................23
§ 1. Nederlanders.............................23
§ 2. Ingezetenen .............................27
§ 3. Vreemdelingen ...........................28
, Ut. Rechten van het volk..........................32
§ 1'. Burgerlijke rechten......................33
§ 2. Staatkundige rechten.....................34
a. Bescherming van persoon en goed. 34
b. Recht op godsdienstvrijheid ... 38
c. Drukpersvrijheid.....................39
d. Hecht van petitie ...................42
e. Hecht van vereeniging en vergadering 45
§ 3. Burgerschapsrechten......................47
a. Bevoegdheid om landsbedieningen te
vervullen .............................47
b. Kiesstelsel...........................50
IV. Verplichtingen van het volk ... 57
a. Gehoorzaamheid aan de wet . . 57
b. Verplichting om mede te dragen
in de lasten van den Staat. . . 58...”
|
|
| 2 |
 |
“...bevoegdheden en de onderlinge betrekking der staatsmachten,
alsmede de rechten en verplichtingen der burgers van den Staat en
de waarborgen tegen willekeur worden omschreven en bepaald.
Zijn die regelen en voorschriften in éen staatsstuk samengevat,
dan wordt dat staatsstuk Grondwet genoemd.
Sedert het laatst der vorige eeuw heeft in bijna alle landen de
staatsvorm ingrijpende veranderingen ondergaan, vooral ten opzichte
van de rechten der burgers. Het beginsel, dat de leden van den
Staat het recht hebben, dien regeeringsvorm te kiezen, welke hun de
meest geschikte toeschijnt, dat zij invloed moeten hebben op
1...”
|
|
| 3 |
 |
“...het begrip : Staatsburgerschap *),
kwam meer en meer tot zijn recht en kreeg vorm en gedaante in de
meeste constitutioneele wetten. Met den constitutioneelen
regeeringsvorm bedoelt men die staatsinrichting, welke op
dit beginsel is gebouwd.
«De constitutioneele regeeringsvorm is eene regeering van be-
langhebbenden» 2). De beslissing van hetgeen door het» algemeen
belang gevorderd wordt, behoort aan de burgers van den Staat.
Zij zei ven kunnen het best beoordeelen, welke opofferingen zij zich
in het algemeen belang moeten getroosten. De huldiging van het
staatsburgerschap wordt te vergeefs gezocht in de absolute mo-
narchie, welke, zoover zij het volksheil beoogt, mor het volk
optreedt, zonder toe te laten dat de algemeene zaak door het volk
worde behartigd. Evenmin vindt men het staatsburgerschap gehul-
digd bij eene zoogenaamde standenregeering. Daarbij geldt voor
de verschillende maatschappelijke klassen een verschillend recht;
slechts die klassen welke aan bepaalde eischen, met name van...”
|
|
| 4 |
 |
“...het koningschap, eene, althans gedeeltelijk ge-
kozene volksvertegenwoordiging medewerkte tot de samenstelling der
wet, op welker naleving zij toezicht oefende. Thans is het stelsel eener
gekozen volksvertegenwoordiging eigen aan alle staten, welke den
constitutioneelen regeeringsvorm hebben aangenomen.
Tot het wezen van dien regeeringsvorm behoort in de eerste
plaats de gelijkheid der burgers voor de wet, zonder onderscheid
van geboorte, bezit of godsdienst. Voor allen een gelijk burgerlijk
recht, een gelijk strafrecht, voor allen de gelegenheid om staats-
betrekkingen te bekleeden, in zoover aan de in ’t algemeen belang
gestelde eischen wordt voldaan. Dienovereenkomstig rust ook op
allen de verplichting om, naar de mate hunner krachten, bij te
dragen in de middelen welke de Staat noodig heeft om zijne taak
te vervullen.
Voorts eischt de constitutioneele regeeringsvorm de vrijheid van
bedrijf, welke onvereenigbaar is met het verplichte lidmaatschap
eener vereeniging of corporatie en met...”
|
|
| 5 |
 |
“...verantwoordelijkheid van zijne raadslieden.
Ook deelt hij met de vertegenwoordiging de wetgevende macht,
zoodat de wet, waaraan allen zich onderwerpen moeten, niet dan
door samenwerking van den Vorst en de Vertegenwoordiging
kan tot stand komen. Hem wordt de bevoegdheid gegeven, om
aan de wet, die naar zijn overtuiging niet in het belang is van
den Staat, zijne goedkeuring te onthouden. Ook heeft hij het recht
de vertegenwoordiging, die naar zijne overtuiging niet aan haar
doel beantwoordt, d. i. als zij niet meer. de uitdrukking is van de
richting der meerderheid van de natie, te ontbinden. Dit recht |...”
|
|
| 6 |
 |
“...5
strekt, om een tegenwicht te stellen tegen eene mogelijke verkrachting
van de belangen der minderheid door eene eenzijdige richting bij
de meerderheid in de vertegenwoordiging.
Daartegenover staat dat de vertegenwoordiging vrijelijk elke
regeeringsdaad mag beoordeelen, ja, dat het haar plicht is een streng
toezicht over de regeering te houden. Evenzoo heeft zij krachtens
het beginsel, dat zij met den Koning de wetgevende macht uitmaakt,
het recht de haar voorgelegde wetten te beoordeelen, te wijzigen
en des noods te veroordeelen, evenzeer als het tot hare bevoegdheid
behoort zelve wetsvoorstellen in te dienen. Ook behoort zij de
bévoegdheid te hebben om een onderzoek in te stellen naar alles
wat zij meent, dat voor het belang van den Staat dienstig is.
Daarom is het van het hoogste belang, dat het vertegenwoordigend
stelsel geen ijdele vorm, maar zoo veel mogelijk eene waarheid zij,
d. i. dat tot de verkiezing van de leden der vertegenwoordiging
zooveel mogelijk alle burgers medewerken...”
|
|
| 7 |
 |
“...k maakten, gaf de regeering hare toezegging.
Met levendige belangstelling werden de daarop betrekkelijke
wetsontwerpen tegemoet gezien. Groote teleurstelling moest de
natie echter ondervinden, toen zij ontwaarde, dat de regeerings-
ontwerpen van 1840 niet anders inhielden, dan zoodanige wijzigingen
als volstrekt noodzakelijk waren, ten gevolge van de afscheiding van
België *) Noch van de ministerieele verantwoordelijkheid of van de
onschendbaarheid des Konings, noch van het recht van amende-
ment, noch van het recht van ontbinding der Kamers of van eene
andere regeling van het kiesrecht was sprake.
Nauw had de regeering hare ontwerpen aangeboden of vijf leden
der Tweede Kamer: l. c. luzac, w. A. baron schimmelpenninck
VAN DÉK OYE, J. CORVEE HOOFT, E. W. VAN DAM VAN ISSELT en
Jhr. w. l. F. c. ridder van rappard, deden het voorstel, om,
«aangezien het bleek, dat de regeering het initiatief niet verder
wilde nemen, dan door het voordragen der vijf ontwerpen, en zij
als het ware aan de Kamer...”
|
|
| 8 |
 |
“...van het meeste gewicht toeschijnen. Zij be-
troffen: de onschendbaarheid des Konings en de ministeriëele ver-
antwoordelijkheid, benevens het contraseign; eene wet, welke die
verantwoordelijkheid regelt; de bepaling, dat het uitvoerend gezag
aan den Koning behoort; het recht van ontbinding der Staten-
Oeneraal; de opdracht van beslissing van administratieve geschil-
len aan den Baad van State; de niet-vervolgbaarheid der leden
van de Staten-Generaal wegens adviezen, door hen in de ver-
gadering uitgebracht; min of meer directe verkiezing der volks-
vertegenwoordiging; eene meer nationale vertegenwoordiging;
geene keuze alleen uit de provincie, maar uit het geheele rijk;
openbaarheid der zittingen van de Eerste Kamer; het recht van
amendement voor de Tweede Kamer; de baten der overzeesche
bezittingen een gedeelte uitmakende der inkomsten van den Staat,
waarover niet dan bij de wet zou kunnen worden beschikt; vast-
stelling van de begrootingen der uitgaven en inkomsten van de
Oost-Ind. bezittingen...”
|
|
| 9 |
 |
“...Deze rechten kunnen opgeheven verklaard
| worden, doch tegen schadeloosstelling 4).
, Bij het 5e add. art. werd aan de regeering de verplichting opge-
legd, binnen zekeren termijn ontwerpen, die eenige der gewichtigste
aangelegenheden zouden regelen, aan de volksvertegenwoordiging
aan te bieden 5).
f J) Zie art. XXIV.
’) Zie o. a. K. Besl. van 26 Maart 1814 (Stbl. No. 46), dat aan de
heerlijkheden de voordracht van schouten, secretarissen en bestuurderen
van gemeenten of polders gaf, terwijl het recht van de eigenaren der
heerlijkheden van benoeming >'tot kleinere gemeentelijke bedieningen”
erkend werd.
ijt •) Add. art. art. 4, le lid. sDe heerlijke rechten, betreffende voordracht
of aanstelling van personen tot openbare betrekkingen zijn afgesehaft.”
Volgens de Mem. v. Toel. was het collatierecht hier niet onderbegrepen.
I 4) Ibid. 2e lid. De opheffing der overige heerlijke rechten en de schade-
loosstelling der eigenaren kunnen door de wet worden vastgestéld en ge-
regeld.” Zie ook art. XXVII...”
|
|
| 10 |
 |
“.... De aftreding der leden werd bij het 6e der add.
art. geregeld * 1).
1°. der wet, regelende het kiesrecht en de benoeming van afgevaardigden
ter Eerste en Tweede Kamer;
2°. van provinciale- en gemeentewet,
worden voorgedragen in de eerste zitting der Staten-Generaal, volgende
op de afkondiging der veranderingen in de grondwet.
»De ontwerpen van wet, betreffende de verantwoordelijkheid der mi-
nisters, de nieuwe rechterlijke inrichting, het onderwijs en armbestuurf
en tot uitoefening van het recht van vereeniging en vergadering, worden
zoo mogelijk in dezelfde zitting, en in allen geval niet later dan in de
daarop volgende voorgesteld.’’
y>De wetten op het gebied der regeering in de koloniën en bezittingen
van het Rijk in andere werelddeelen worden binnen drie jaren, na de
afkondiging dezer veranderingen in de grondwet, voorgedragen.”
i) ibid. art. 6. nDe eerste aftreding van een derde der leden van de
Eerste Kamer der Staten-Generaal zal plaats hebben met den derden
Maandag in Sept. 1851;...”
|
|
| 11 |
 |
“...het volk
recht heeft invloed uit te oefenen op de regeering. »De grondwet,” '1
merkte de commissie terecht aan, »heeft staatsburgerschap, de eerste :
drijfveer onzer eeuw, zooveel zij kon, laten slapen. Om hartstocht
te mijden, brak zij de ziel.” De uitbreiding van het kiesstelsel I
heeft in dit opzicht goede vruchten opgeleverd, en zal naarmate ij
de beteekenis van den rechtstreekschen volksinvloed aan wint, tot ‘j
nog grootere uitkomsten leiden.
Behalve in de uitbreiding van het kiesstelsel munt de grond-
wet van .1848 boven de vorige staatsregelingen uit in de wijze 4
waarop zij onderwerpen regelt, als het recht van vereeniging, de
vrijheid van drukpers, de staatszorg voor het onderwijs, enz. Voor- ■;
namelijk is vooruitgang te bespeuren ten opzichte van de verhou- j
ding der vertegenwoordiging tot de regeering. Het recht van ;
amendement, zooals wij boven aanteekenden, een noodzakelijk j
element van eene constitutioneele vertegenwoordiging, in nauw .
verband met het recht der leden...”
|
|
| 12 |
 |
“...bij de herziening
van de grondwet in 1848 dat verschil opgeheven, en aan steden
en dorpen den gemeenschappelijken naam van gemeenten gegeven.,
De grenzen van den Staat, de provinciën en de gemeenten kun-
nen niet willekeurig verzet worden. Daarvoor is eene wet noo-
dig *). De ingezetenen toch moeten gewaarborgd worden, dat zij
van de uitoefening hunner rechten, voor zoover deze afhankelijk
zijn van den zetel hunner inwoning, niet dan om wettige redenen
verstoken kunnen, worden, b. v. van het recht, om de leden van
>) Art 2. y>De wet kan provinciën en gemeenten vereenigen en split-
sen. De grenzen van den Staat, de provinciën en gemeenten kunnen
door de wet worden veranderd.”...”
|
|
| 13 |
 |
“...24
was bestemd het staatsrechterlijke Nederlanderschap te regelen.
Haar ontwerper, de heer Thorbecke, drukte deze bestemming
uit door in art. 1 aan te wijzen, wie «Nederlanders zijn ten aan-
zien van het genot van burgerschapsrechten”. De minister ver-
stond daaronder het genot der rechten aan het volle lidmaatschap
van den Staat verbonden, dus onder anderen het recht om te
kiezen en gekozen te worden. Anderen daarentegen verstonden
onder de burgerschapsrechten uitsluitend het kiesrecht. In dezen zin
wordt de wet niet zelden toegepast, ook door de rechterlijke macht.
Aldus heerscht er eene verwarring in dit onderwerp tengevolge
van de tweeledige regeling in het Burg. Wetb. en in de wet van
1850. Ten aanzien van het strafrecht zal de onzekerheid ophou-
den bij de invoering der wet van 3 Maart 1881 (Stbl. n°. 35)
welke in art. 83 de wet van 1850 toepasselijk verklaart.
Ingevolge deze wet wordt men Nederlander door geboorte, ves-
tiging, naturalisatie en wetsdu/iding.
1. Door geboorte. Wanneer...”
|
|
| 14 |
 |
“...inwoning
in de koloniën voor den vreemdeling geen ingezetenschap mede*
brengt, al legt hij daar ook de gevorderde verklaring af.
Terwijl het ingezetenschap voor den Nederlander vele rechten
geeft, levert het voor den vreemdeling bijna geene andere op, dan i
dat hij niet uitgezet mag worden, mits hij met eene Nederlandsche j
vrouw gehuwd zij of geweest zij, en bij haar éen of meer kinderen j
verwekt hebbe, die binnen het rijk geboren zijn; dat zijne kinderen j
Nederlanders worden6), en dat hij het recht van petitie enveree- j
niging heeft, maar hij bezit niet het kiesrecht, en kan noch gekozen j
worden, noch eenige landsbediening vervullen. Voor het overige I
is hij aan verschillende verplichtingen onderworpen, b. v. aan de ]
militiewet en die op de schutterij; voorts moet hij de gevorderde |
belastingen mede betalen, enz.
§ 3. Vreemdelingen.
Behalve de bovengenoemden treft men vreemdelingen aan die, I
*). Art. 2. Kieswet. !) Art. 8 lid 3 der wet van 28 Juli 1850.'
*) Ibid. 4e lid. 4) Ibid. 1ste...”
|
|
| 15 |
 |
“...29
hier te lande slechts een tijdelijk verblijf houdende, niet geacht
worden ingezetenen te zijn. Ofschoon hun dezelfde bescherming
van persoon en goederen gewaarborgd is, en ook voor hen het
burgerlijk recht hetzelfde is als voor de Nederlanders en ingezete-
nen, en zij onderworpen zijn aan dezelfde strafwetten en politie-
- verordeningen j ofschoon zij even vrij hun gevoelen kunnen open-
baren, en geen censuur hun dit recht kan ontnemen, ofschoon zij
: zelfs leden kunnen zijn van hier te lande bestaande vereenigin-
gen, mits deze niet zijn van staatkundigen aard, genieten zij geen
der rechten, die aan ingezetenen zijn toegekend, maar aan de an-
| dere zijde zijn zij aan geene andere dan algemeene verplichtingen
onderworpen.
Daar de openbare rust door eene al te vrijgevige toelating van
vreemdelingen gevaar zou kunnen loopen, moet de regeering de
bevoegdheid hebben hen, zoodra de orde in den Staat of de goede
verstandhouding met naburige rijken het eischt, te kunnen uitzetten.
Aan de andere...”
|
|
| 16 |
 |
“...wet voortvloeien.
§ 1. Burgerlijke rechten.
Het burgerij recht betreft de betrekkingen, waarin diegenen
die aan de Nederlandsche wetgeving onderworpen zijn - Neder-
landers, ingezetenen en vreemdelingen - ten opzichte van hunne
persoon goederen en verbintenissen tot elkander staan. Ofschoon
die rechten in de Grondwet niet behandeld worden, heeft deze het
regelen daarvan niet uit het oog verloren, maar daarvoor verwe-
zen naar eene bijzondere wetgeving *).
Het Burgerlyk Wetboek, het Wetboek van Koophandelendatvan
■ Burgerlyke Rechtsvordering behandelen dat recht. Het is hetzelfde
i voor Relingen als voor Nederlanders, zoolang de wet zelve
niet uitdrukkelijk het tegendeel vaststelt I 2 *). Allen, die zich op
et grondgebied van den Staat bevinden, zijn dus bevoegd tot
het genot der burgerlijke rechten *); geene straf kan het ver-
lies van alle burgerlijke rechten — wel van enkele - ten ee-
I volge hebben 4). 6
Terwijl het burgerlijk recht de verhoudingen tusschen de persrmen
\ °nderhng reSeert’...”
|
|
| 17 |
 |
“...34
in dit werk meer in het bijzonder het staatsrecht zullen na-
gaan, zou eene verdere behandeling van de burgerlijke rechten
minder passend zijn.
§ 2. Staatkundige rechten. ■
Staatkundige rechten zijn de zoodanige, die onmiddellijk uit
de Grondwet voortvloeiende, ook daarin of in de zoogenaamde
organieke wetten, d. z. de wetten, welke dienen om de in de Grond-
wet nedergelegde beginselen uit te werken en op het staatsbestuur
of op het recht van het volk betrekking hebben, uitdrukkelijk
worden genoemd.
a. Bescherming van persoon en goed. Een der eerste
staatkundige rechten is dat allen, die zich op het grondgebied
van den Staat bevinden, hetzij ingezetenen of vreemdelingen,
gelijke aanspraak hebben op bescherming van persoon en goe-
deren * *). In verband daarmede staat het voorschrift van art. 2
van het burg. wetboek, volgens hetwelk allen die zich op het grond-
gebied van den Staat bevinden, vrij zijn, en de slavernij en alle
andere persoonlijke dienstbaarheden, van welken aard of onder...”
|
|
| 18 |
 |
“...35
aldaar eén einde is gemaakt aan eenen den mensch vernederenden
•toestand x).
In nauw verband met het recht op bescherming van goed en
leven staat de verplichting van den Staat, om te zorgen voor eene
goede rechtsbedeeling. Men kan geene waarborgen genoeg nemen
tegen willekeur, wanneer het geldt het leven en de bezittingen
van personen. De orde en veiligheid in den Staat hebben daarbij
het hoogste belang. Vandaar het grondwettelijk voorschrift, dat
er wetboeken zullen zijn a).
De vrijheid van persoon is echter niet geheel onbeperkt; zij
wordt door het algemeen belang begrensd, en houdt onmiddellijk
op, zoodra zij de rust en veiligheid in de maatschappij bedreigt.
Het is een algemeen erkend recht van den Staat, om te straffen.
De misdadiger heeft zijn recht op de vrijheid verloren en zelfs
kan hij in ernstige gevallen ook voor zijn geheele leven van zijne
vrijheid beroofd worden 3). De bevoegdheid van den Staat gaat
zelfs nog verder; immers het algemeen belang kan medebrengen, dat
er bij...”
|
|
| 19 |
 |
“...het gericht is.
nDe wet bepaalt den vorm van dit bevel en7 den tijd, binnen welken,
alle aangeklaagden moeten worden verhoord.”
*) Art. 341 Strafv.
*) Art. 152. »Wanneer een ingezetene, in buitengewone omstandig-:,
heden, door hel politiek gezag is gearresteerd, is hij, op wiens bevél zoo-,
danige arrestatie plaats heeft gehad, gehouden daarvan terstond kennis
te geven aan den plaatselijken rechter, en hem voorts den gearresteerde
binnen den tijd van drie dagen over te leveren. De crimineéle recht-
banken zijn verplicht, elk in haar ressort, te zorgen, dat zulks stiptelijk,
worde nagekomen.”
6) Art. 106 Staatsr. 1798.
«) Art. 101 GW. 1814....”
|
|
| 20 |
 |
“...Wie toch beslist, wanneer ï bijzondere omstan-
: digheden” aanwezig zijn, welke een inbreuk op de individueele
• vrijheid wettigen ? Heeft men alleen staatkundige redenen be-
I «loeld ? Van welk politiek gezag wordt in het artikel gesproken ?
Eene andere bepaling, > welke in nauw verband staat met al
hetgeen wij boven aangetóekend hebben, en ook tot waarborg
‘ ^frökt, dat geen willekeur voorkome bij vervolging van mis-
: daden en wanbedrijven, en dat alleen in naam der beleedigde
maatschappij recht wordt gesproken, is, dat het vonnis van ver-
' oordeeling èn op de wet gegrond èn in het openbaar uitgespro-
ken moet worden. Ook moet de terechtzitting, in het openbaar
I gehouden worden, met uitzondering, wanneer de zedelijkheid en
de openbare rust eene afwijking van dien regel eischen; maar
|Ook deze uitzondering' moet door de wet worden vastgesteld 1).
|f°g twee voorschriften geeft de Grondwet, die met de bescher-
ming van persoon en goed' samenhangen. Het eerste is, dat nie-
mand tegen zijnen...”
|
|