Your search within this document for 'Hala' OR 'na' OR 'rant' resulted in 108 matching pages.

You can restrict your results by searching for Hala AND na AND rant.
 
1

“...8 Dit onderzoek heeft geleid tot de ontdekking van vele feiten, die ik nergens vond geboekstaafd en het bewees mij tevens de onvolledigheid en onbetrouwbaarheid van de meest bekende werken over Curasao. Daarom heb ik er niet af kunnen zijn bij vele van de door mij behandelde zaken — vooral waar het betrof de eerste jaren na de inbezitneming van Curagao — te verwijzen naar de oorspronkelijke bronnen, waaruit door mij werd geput, en den inhoud daarvan in de meeste gevallen woordelijk aan te halen. Het gedurig vermelden van die bronnen en aanhalingen in den tekst zou deze echter zeer langdradig hebben gemaakt, waarom ik er de voorkeur aan heb gegeven de extracten uit de archieven en uit de door mij geraadpleegde boekwerken in een afzonderlijk deel te plaatsen, met verwijzing daarnaar door nummers in den tekst. Ik heb gemeend mijn onderzoek hoofdzakelijk te moeten bepalen tot de archieven der West-Indische Compagnie. De beschrijving van de lotgevallen der eilanden sedert...”
2

“...18 kaap Appólonia en Rio de la Yolta, waar de Compagnie haar eigen „factorijen” had, doch later ook zonder die uitzondering. Wel werden aan de Compagnie rechten toegekend, te heffen van schepen, die in haar limieten voeren, doch op het einde van 1791 was er van het oorspronkelijk „uitsluitend recht” weinig meer over. Na dit beknopt overzicht der oprichting en samenstelling van de West-Indische Compagnieën overgaande tot het verhalen van de lotgevallen dier sociëteiten op de West-Indische eilanden, moet ik reeds terstond den lezer teleurstellen en hem mede- deelen, dat het begin dier geschiedenis slechts voor een klein gedeelte op officieële gegevens berust. Zooals ik reeds in de voorrede van dit werk zeide, zijn de archieven der eerste West-Indische Compagnie zeer onvolledig en in het bijzonder betreft dit die uit de eerste twintig jaren van haar bestaan (4). Echter zijn er over de eerste Nederlandsche expeditie naar de benedenwindsche eilanden nog zeer betrouwbare...”
3

“... die zij aen landt slachten en aeten”. De vlootvoogd bracht hier Paschen door, zond daarna nogmaals eenige troepen aan land, die „een groote stapel ghehackt hout, ontrent anderhalf uyre van 't strandt” vonden en wederom een honderdtal schapen buit maakten, terwijl ook nog eenig langs het strand groeiend pokhout werd gekapt. Na dit te hebben ingescheept, zette de admiraal 11 op zijn tocht gevangen genomen Spanjaarden en Portugeezen aan wal en vertrok den 17en April weer van het eiland *). Een jaar later — juist op denzelfden dag — liepen admiraal Hendrik Jacóbsz Lucifer, de vice-admiraal Jan Pietersz en 1) De Laet, Nieuwe Wereldt enz., blz. 618. 2) De Laet, Historie ofte Jaerl(jck Verhael enz., blz. 23. (De hierna volgende aanhalingen uit de Laet’s werken zjjn alle uit „Historie ofte Jaerlflck Verhael”, enz). *) Zie vierde jaarverslag, blz. 94 en blz. 100. 4) De Laet, blz. 78....”
4

“...23 expeditie naar Curagao en voor de bijzonderheden daarvan zal ik hem dus weer naschrijven.J) In het begin der maand Mei 1634 in zee geloopen, kreeg het eskader* 2 3 *) den 23 Juni 1634 Barbados in zicht en liet den volgenden dag het anker vallen op de ree van het eiland St. Vincent,8) waar men zich ververschte (13) en, volgens de meegegeven instructies der XIX, het Jacht de Brack werd vooruitgezonden (28 Juni) naar het vaste land van Venezuela, toen ter tijd „de Custe van Caraques” genaamd naar het dorp van dien naam, dat daar lag (14). Den 298ten Juni vervolgden de overige schepen hunne reis, zagen na twee dagen Isla Blanca, zetten van daar koers naar Tortugas en zoo verder langs de Roques- en Aves-eilanden, tot zij bij zonsondergang van den 3n Juli voor Bonaire het anker lieten vallen, waar zich nog dienzelfden avond het jacht de Brack bij hen voegde, en rapport uitbracht, dat het op de ree van Caracas tien schepen had geteld, doch die niet had kunnen verkennen...”
5

“...24 naar de kust van Curasao werd overgestoken en „met kleyn zeyl” dicht langs den wal gehouden, „niet boven een pistool- scheut daer van blijvende om ’t landt beter te verkennen.” Zoo de kust langs varende, zag men na eenigen tijd aan> een baai een groot kruis op den wal staan, „dat de guide twijffelde dit de haven te wesen”, waarom de schepen zich wat verder van den wal verwijderden om overstag te kunnen gaan en die baai te kunnen binnenloopen. Dan, toen men op het kruis koers zette, dreef de stroom, die steeds op de zuidkust van het eiland staat en die dien dag zeer sterk liep, de schepen voorbij den ingang van de baai. Daar de gids er echter niet zeker van was, of deze baai wel werkelijk de haven was geweest, zeilde men nog een tijd lang langs de kust voort, doch vond geen ankergrond meer en moest dus wel tot de conclusie komen, dat men de haven was voorbij gezeild. Te vergeefs trachtten de schepen nu weer op te werken. De stroom dreef hen al verder en verder af...”
6

“...28 ruiters op verkenning uitgezonden, doch met geen ander resul- taat dan dat le Grand’s luitenant na eenige dagen werd ver- mist. De Commandeur was daarop zelf met 170 man en 10 a 12 ruiters uitgetrokken en had, na een marsch van twee en een half uur, Hato en den volgenden morgen het dorp San Juan bereikt, dat men eveneens verlaten vond en de inwoners gevlucht naar het twee uur verder gelegen Ste. Martha, doch van den vermisten luitenant werd niets vernomen. Na het dorp in brand te hebben gestoken was men daarom maar weer naar het kwartier teruggekeerd, dat den 10n Augustus werd bereikt. De eerstvolgende dagen werden nu besteed aan het opwerpen van een bolwerk aan den oostkant der haven. Ook daar echter werd het werk zeer bemoeielijkt door den steenachtigen bodem en weldra bleek het, dat men de geheele versterking zou moeten opmetselen. Eerst werd daarom een borstwering gemaakt van eenige met steenen gevulde vaten, waarachter de arbeiders veilig hun werk konden...”
7

“... wien men vertrouwen stelde, tot opperhoofd of „capiteyn” werd aangesteld. " Na het jacht de Eenhoorn met het bericht van al het ge- beurde te hebben teruggezonden, ging van Wallbeeck nu „alle de ghelegentheit” van het eiland bezichtigen* 2). Hij vond er „veel schoone valleyen” en „het meeste deel van ’t eylandt overgroeyt met hoornen, welcker hout werdt ghebruyckt tot verven”, het naar zijn eigenaardigen vorm zoogenoemde „stok- vischhout.” Van de Montero vernam hij bovendien nog, dat er een viertal jaren geleden op het eiland geweest waren onge- veer 2000 hoornbeesten, waaronder 24 melkkoeien, „die inden reghentijdt veel melcks gaven”, 9000 schapen en lammeren, 1) zóo geeft de Laet hier het getal op. Doch terstond daarop vermeldt hij, dat 20 Indiaansche families, bestaande uit 7B koppen, bij de onzen bleven en dat 840 Indianen met de Spanjaarden vertrokken, zoodat er dan in ’t geheel 415 Indianen zich moeten hebben overgegeven. 2) In het werk van de Laet bevindt zich...”
8

“...31 750 paarden en wel 1000 bokken en geiten doch dat daar- van door „een groote drooghte” wel de helft „ende veleaerdt- vruchten waren, vergaen”, terwijl de veestapel bovendien ook zeer was verminderd in den laatsten tijd, doordien de Spaansche gouverneur vele beesten enkel om de huiden had doen dooden. Huiden en vellen vormden dan ook het voornaamste artikel van uitvoer van het eiland, doch teven3 trokken de Spanjaar- den jaarlijks eenige „aroben” kaas van het eiland, benevens ;,een partijs” stokvischhout. Slechts enkele maanden waren de onzen in het bezit van het eiland of men ontdekte een complot onder de Indianen, dat veel onrust baarde. Reeds den 6en October was er in de Cardcas-baai, waar het jacht de Brack was gestationneerd, des nachts een groote kano binnengeloopen, die, na door de onzen te zijn aangeroepen, terstond de baai weer was uitgezeild, en terecht had men begrepen, dat dit vaartuig door de Spanjaarden van de Yaste Kust was afgezonden met geen ander...”
9

“... (27). Het volgend jaar verliet ook van Walbeeck het eiland en trad weer in dienst des Compagnie in Brazilië (28). 3) Orde en eensgezindheid op het eiland schijnen toen veel te wenschen te hebben overgelaten. Van Oosterzee keerde na een eenjarig verblijf weer naar Holland terug en klaagde aan de Kamer van Zeeland over „disordren ende oneenigheden” op het eiland (29), terwijl over hem zelf een klachte van Wilschut was ingekomen (30). Voorziening in de directie van het eiland bleek dan ook ten zeerste noodig en drie jaar lang maakte die een punt van overweging uit bij de XIX (28), totdat men eindelijk in 1638 een geschikt 1) Van Klein Curasao vindt men in de Laet’s werken geen melding gemaakt; aan Aruba wijdt hij slechts een paar regels, doch over Bonaire is hij uitvoeriger (22). 2) Het schijnt, dat hij Jan Claesz van Campen, oud-commandeur van St. Martin, tot zijn opvolger aanstelde, doch zekerheid hieromtrent heh ik niet kunnen verkrijgen t...”
10

“...45 Bij resolutie van de Staten Generaal van 14 September 1669 werd nu Lodewicus Boudewijns van Berlicum tot directeur aangesteld, doch slechts eenige maanden kan deze aan het bestuur zijn gebleven, daar hij in September 1669 nog in Nederland vertoefde en men vermeld vindt dat de Staten, na een korte tusschenregeering van Willem Beek, bij resolutie van 5 Augustus 1670 Dirck Otterinck tot directeur benoemden (58). Van het bestuur van deze laatste directeurs valt niet veel merkwaardigs te verhalen. De slavenhandel maakte nog steeds het onderwerp van de eerste zorg der Compagnie uit (59), doch omstreeks dezen tijd schijnt zij toch ook meer belangstelling te hebben getoond in de ontwikkeling van landbouw, nijverheid en mijnbouw. Op minstens één der Co’s plantages op Curagao werd suiker gemaakt en dat ook geenszins in geringe hoeveel- heid (60); een zekere Jan Delian wenschte met de Compagnie een contract aan te gaan voor de levering van het op Bonaire gewonnen zout,J) en...”
11

“... geen kennis droegen. De eerste dezer missives be- helsde het verzoek van de Baas om Doncker te mogen spreken (68) — en hieraan heeft wellicht de bewering haar ontstaan te danken als zou Doncker met den vijand hebben geheuld 2) — doch van dit verzoek schijnt de Baas zelf weinig te hebben verwacht, daar de tweede missive begon met: „Puis le Sr Otterinck refuse d’envoyer vers nous le Sr. Doncker”, en verder 1) . Woorden uit het journaal van Doncker. Hieruit blijkt, dat reeds toen ter tijd de heuvelrug beoosten de stad „Altena” heette en dat deze naam dus niet — zooals de een den ander heeft nagepraat en zooals thans algemeen op Curasao wordt geloofd — eerst na den inval der Franschen aan dien bergrug werd gegeven, omdat men, toen de vijand daar verscheen, gezegd zou hebben, dat de Franschen „al te na” waren. In oude documenten ontmoet men den naam trouwens ook meermalen als „Alfona” of „Alt/iona”. 2) Zeer waarschijnlijk was de Baas persoonlijk met Doncker bekend zie blz. 45)....”
12

“...54 Terstond na het vertrek der Franschen stuurde Doncker daar- van bericht aan den commandeur van Bonaire, opdat deze de daar aankomende Hollandsche schepen zou kunnen mededeelen, dat alles weer veilig was op Curasao. Doch door den oorlog met Frankrijk en Engeland waren Hollandsche schepen zeld- zaam geworden in de Caraïebische Zee, die door talrijke kapers onveilig werd gemaakt. Grooten dienst bewees de kaper-kapitein Jan Erasmus Reining dan ook aan Curasao door zijn veroverde schepen naar dat eiland op te zenden, waar kort na den inval der Franschen zulk een schaarschte van levensmiddelen was geweest, dat er „al verscheyde Swarte van honger gesturven waren” 1), doch waar door den geregelden toevoer van Reining weldra zoo’n groote overvloed heerschte, „dat se ten laatsten een oxhooft wijn voor 6 stukken van agten konden bekomen . Een andermaal redde Reining in de Curatjaosche wateren een Compagnie’s schip met 700 slaven en verder wist hij door zijn kloeke houding in...”
13

“...' Franschen een andere en veel ernstiger poging in het werk stellen om zich van het eiland meester te maken en aan welke Doncker hoogstwaarschijnlijk geen weerstand zou hebben kunnen bieden, waarom die poging een uitvoeriger be- schrijving verdient dan er door de meeste geschiedschrijvers van Curasao van is gegeven. Na de verwoesting van onze kolonie op Tobago7) vertrok de Fransche vlootvoogd d’Estrées naar Martinique en, na aldaar zijn schepen hersteld en zijn volk eenige maanden rust te hebben gegund, koos hjj andermaal zee om de vijanden van 1) Brief der Kamer van Amsterdam, dd. 19 Mei 1679. 2) ld., dd. 4 Juni 1680. ») Zie later, blz. 85. Ook Documenten 74. i) Brief K. A’dam, dd. 3 Aug. 1675. 5) ld., dd. 3 Dec. 1677. 6) Resolutie der Staten Generaal, dd. 11 Sept. 1679 en Notulen Kamer van Amsterdam, dd. 26 Juni 1676. ’) Zie 4e jaarverslag van het Curagaosch Geschiedkundig genootschap, blz. 55 vlg....”
14

“... te nemen. Na eenige tegenwerpingen berustte d’Estrées ook hierin, doch onmiddellijk na het vertrek der scheeps- bevelhebbers deed hij het signaal hjjschen om alle zeilen bij te zetten, waardoor het den loods onmogelijk was aan boord van het admiraalschip te komen. Op den middag van den 9au Mei liet d’Estrées alle oorlogssche- pen achter de „Terrible” omzeilen om de door hen berekende plaats- bepaling op te geven en het bleek toen, dat men meende op 20 a 25 mijl ten noordnoordwesten van Orchilla te zijn. Alleen de stuurman van de „Terrible” was van oordeel dat men zich veel westelijker moest bevinden, daar de stroom de schepen moest hebben afgedreven, doch d’Estrées schold hem een domoor en, zich tot de Méricourt wendende, zeide hij: „Cecoquinmevient toujours dire des sottises”1). Men besloot nu den koers zuid- zuidwest te houden en des nachts met gereefde marszeilen door b Die „coquin” was echter de eenige, die een goede berekening had gemaakt....”
15

“.... Wel werd nog al het mogelijke door de verschillende scheepsbevelhebbers gedaan om hun bodems weer vlot te krijgen, doch te vergeefs. Enkele uren na zonsopgang lagen reeds drie schepen op hun zy en was de „Terrible” reeds opengescheurd, in welk lot de andere schepen weldra deelden. Vyf oorlogsschepen, 3 branders, 1 behoeftfluit en 7 kaperschepen was alles water van de prachtige vloot van 35 schepen overbleef en het getal der by deze ramp om het leven gekomenen schatte men op 5001). Het valt licht te begrijpen dat d’Estrées na deze gebeurtenis van alle veroveringsplannen tegen Curasao afzag. Met het treurig overblijfsel zijner vloot stak hy over naar San Domingo, trachtte daar manschappen te werven om althans deFransche kanonnen uit de wrakken te redden, en vertrok vervolgens naar Martinique, waar hy vernam dat de Hollanders van Curasao en eenige kapers hem reeds voor waren geweest. i) Hollandsche Mercurius, Anno 1678, blz. 226—228, en Calendar of State Papers 1677—1680, no...”
16

“...59 Inderdaad had Doncker, zoodra het verongelukken der Fransche vloot op het eiland bekend werd, een paar schepen uitgerust om de kanonnen van d’Estrées op te visschen en had hij ook aan an- dere vaartuigen vergunning gegeven hetzelfde te doen. In ’t geheel werden op Curasao aangebracht acht 24-ponders, zes 18-ponders, zeven 12-ponders, drie 6-ponders en 1 bas, „alle schone metale stucken canon” 1 * * 4 5). Wel eischte de Fransche gezant bij de Staten, graaf d’Avaux, deze stukken later op, bewerende dat zij na het sluiten van den vrede z) waren opgevischt, doch bewindhebberen konden uit Doncker's brieven bewijzen, dat dit geenszins het geval was geweest. Op herhaald aandringen van d’Avaux echter werden hem vier stukken, die Doncker naar Holland had opgezonden overgegeven, „in agtinge genomen zijnde, dat het voorsz. canon is gemerkt met de wapenen van Sijn Maj*. ende van het Collegie ter Admiraliteyt gecontracteerd *). De overige stukken echter deden dienst op de forten...”
17

“... vergund zou hebben zich op de gronden der Compagnie, „int allervetste vant eylant,” een plantage te doen kappen en daarop met Compagnie’s slaven veekoralen en indigowerken te doen maken; IV. dat hij het scheepje „de Aletta”, komende van de Vaste Kust, „alwaar het zijn verboden handel hadde gedreven”, tegen betaling van honderd „pistoletten” s) in de haven van Curacao zou hebben toegelaten instede van het te doen verbeurd verklaren; V. dat hij zou hebben meegewerkt tot den verkoop van slaven, op clandestiene wijze op Curasao aangebracht; VI. dat hij, na eerst aan Anthonie Klinckert te hebben toe- gestaan met zijn scheepje „De Jonge Jacob” de haven van het eiland binnen te loopen, genoemden schipper zou hebben 1) Brief Kamer A’dam van 29 November 1680. 2) Later zijn schoonzoon. s) Eén pistool was 30 realen = Ps. 3,6 (Brief Kamer Amsterdam, dd. 12 Aug. 1698)....”
18

“... bjj de klachten tegen van Liebergen ingebracht, de billijkheid eischt, dat wij ook den directeur in zijne verdediging hooren en de omstandigheden aan- halen, die tegen hem waren. Al spoedig na zijn aankomst maakte van Liebergen zich groote vijanden op het eiland, onder wie in de eerste plaats dienen genoemd te worden de secretaris Hoppesack en de agent van het assiento, tevens kapitein der burgerij, Balthazar Beck - en in de stukken van het dossier van Liebergen vindt men ook de aanleiding tot deze oneenigheden s). Nadat op den 20aten October 1681 op Curaqao „door Godes toelatinge geweest was een harde ende verschrickelijcke wint of Oricaan, de meeste huyzen so beschadigt als onder de voet waren geraakt, voomamentlyck int Lant ende int bysonder het 2) Blijkbaar stoorde men zich niet veel aan art. 5 van den artikelbrief (76). i) Documenten rakende den directeur van Liebergen en Secreete Brieven en Papieren van Curasao 1680—1689....”
19

“...67 huys van Jan Pietersz van Oxfort1 2 *), gestaen hebbende int ruijters quartier na bij en schuins over bet huys van de Cornet, ende omtrent de huyzinge van de gemene ruyters” a), had van Liebergen aan genoemden Pietersz gelast zijn huis niet meer op te bouwen (daar het ongunstig was gelegen voor het houden van orde onder de ruiters) en hem een ander stuk grond, dichter bij zijn plantage toegezegd.. Pietersz had zich echter aan dit verbod niet gestoord: reeds 27 jaren had hjj in dat huis gewoond, wenschte daar ter plaatse te blijven wonen en was met den herbouw van zijn huis begonnen. Van Liebergen had echter daarna een beroep op hem gedaan als oud-soldaat8), hem herinnerend aan den eersten plicht van gehoorzaamheid en ook gedaan gekregen, dat Pietersz zich bereid verklaarde het bevel des gouverneurs op te volgen. Doch Pietersz' vrouw, die in onmin leefde met de vrouw van den cornet de Lange 4 * *), schijnt in des gouverneurs verbod de hand harer vijandin te hebben...”
20

“...69 Liebergen veel last zullen hebben veroorzaakt, is zeer wel aan te nemen. De directeur wees in zjjn verdediging ook uitdrukkelijk hierop en gaf bovendien als zijne meening te kennen, dat de tegen hem ingebrachte, „geheel ongefundeerde” klachten hun grond vonden „in den haat van vele menschen, dien hij zich op den hals had gehaald door de strenge bevelen hem door de bewindhebbers meegegeven in zake de Compagnie’s gronden en door het meebrengen bij zijn komst op het eiland van de Penijn, die handel dreef en de ingezetenen liefst allen handel aan zich zelf hadden gehouden” x). Het was echter te verwachten dat, na het tevoren aange- haald rapport der commissie uit de Kamer van Amsterdam, van Liebergen niet gehandhaafd zou worden als directeur2). Toen na drie jaar zijn commissie was verloopen vond de X het gewenscht „hem niet te continueeren doch te ontslaan” en den bewindhebber Joan van Erpecum aan te stellen tot directeur. Den 20n November 1682 vertrok deze uit Holland...”