Citation
De administratieve afscheiding tusschen Suriname en Curaçao voor honderd jaren

Material Information

Title:
De administratieve afscheiding tusschen Suriname en Curaçao voor honderd jaren
Creator:
Oudschans Dentz, F, 1876-1961
Place of Publication:
[S.l., Curaçao]
Publisher:
De Gids
Publication Date:
Language:
Dutch
Physical Description:
p. 161-167. : ; 24 cm.

Subjects

Subjects / Keywords:
Colonialism ( local )
Constitutional law ( local )
Constitutional history ( local )
Colonial history ( local )
Suriname ( local )
Netherlands Antilles ( local )
Genre:
non-fiction ( marcgt )

Notes

Statement of Responsibility:
[door Fred. Oudschans Dentz]

Record Information

Source Institution:
Leiden University
Rights Management:
All applicable rights reserved by the source institution and holding location.
Resource Identifier:
312352204 ( ALEPH )
238611848 ( OCLC )

Full Text

3nocW ^PujdL.
u.
DE AD MINIS- .EVE AFSCHEIDING
TUSSCHEN SURINAME EN CURAQAO
VOOR HONDERD JAREN
Den 9en April 1945 was het een eeuw geleden, dat bij konink-
lijk besluit no. 8 de administratieve afscheiding der koloni
Suriname van Cura5ao en de overige Neaerlandsche West-Indi-
sche eilanden plaats had (Gouvernementsblad no. 6 van 1845).
Artikel 1 van dat Besluit luidde: Met opheffing yan het in den
jare 1828 ingesteld Gouvernement-Getieraal van s rijks. West-Indi-
sche bezittingen, en van het daarmede in verband staand Algemeen
Reglement op het beleid der regeering in dezelve, zal:
A. De Kolonie Suriname, weder worden beheerd door eenen
Gouverneur.
B. De Gezaghebber van Curafao en onderhoorige eilanden in
regtstreek^che betrekking staan tot het Departement van Kolo-
nin.
C. Het Bestuur van den Gezaghebber van Curasao en onder-
hoorigheden, zich behalve tot Bonaire en Aruba, ook uit-
strekken tot de Eilanden St Eustatius, Saba, en St. Martin.
(Nederlandsch gedeelte1).
In artikel 2 behield koning Willem II zich voor, den tijd van
ingang nader vast te stellen.
Aangezien gouverneur B. J. Elias, de gouverneur-generaal van
de Nederlandsche West-Indische bezittingen bij K.B. van 21
April no. 38 eervol ontslag werd verleend en bij K.B. van 22
April d.a.v. no. 8, R. F.* baron Van Raders, gezaghebber van Cura-
?ao en onderhoorigheden, tot gouverneur van Suriname en majoor
R. H. Esser tot gezaghebber van Curafao en onderhoorigheden
werd benoemd, kondigde gouverneur Elias bij publicatie van 16
Juli 1845. (G.B. no. 7) af, dat deze afscheiding, voor wat Surina-
me betreft, met den dag van zijn vertrek in werking zou treden,
op datzelfde tijdstip het bestuur der kolonie zou overgaan op
den nieuwbenoemden gouverneur Van Raders en dat van Curafao
en onderhoorigheden en de eilanden St. Eustatius, Saba en St.
Martin (Nederlandsch gedeelte) op majoor Esser.
Het oudste lid van den kolonialen raad, de procureur-generaal
Ph. de Kanter, nam bij publicatie van 31 Juli 1845, (G.B. no 8) de
waarneming van het ambt van gouverneur op zich, naar aanlei-
ding van artikel 1 van het Reglement op het Beleid der Regeering,
in afwachting van de komst van baron Van Raders. Deze waar-
1946 in . 1 \ 11

r Q/J
KONINKLIJK INSTITUUT VD TROPEN-BIBLIOTHEEK
14 0000 0175 6729


I 62
DE administratieve afscheiding
neming duurde tot 13 October 1845 (G.B. no. 9), op welken dag
gouverneur Van Raders bij publicatie (G.B. no io)het bestuur der
kolonie aanvaardde onder inroeping van de medewerking van
alle Civiele en Militaire Autoriteiten, Ambtenaren en Ingezetenen
tot het bevorderen van den bloei en de welvaart dezer Volks-
planting en onder afsmeeking van den Zegen des Allerhoogsten
op de pogingen die daartoe zullen worden aangewend.
Wat was de aanleiding geweest tot die administratieve samen-
voeging en afscheiding van beide gebiedsdeelen ?
Wij gaan terug tot het jaar 1815, het jaar der wedergeboorte
van Nederland, toen het zijn onafhankelijkheid herkreeg en bij het
traktaat van Londen van 13 Augustus 1814 Suriname weer aan
Nederland kwam. De overgave daarvan had op 26 Februari 1816
plaats. Vooraf was een nieuw stelsel van bestuur neergelegd in
het K.B. van 14 September 1815 no. 58 (G.B. 1816 no. 2) waar-
door een geheeje nieuwe orde van zaken intrad. Er werd een
einde gemaakt aan de vertegenwoordiging, zooals die onder het
octrooi van 1682 had bestaan en, wat opmerkelijk was, zonder
eenigen tegenstand van de inwoners, een bewijs van hun demora-
lisatie tengevolge Van den treurigen economischen toestand, die
de politieke verhoudingen in Europa gedurende de laatste jaren
hadden geschapen en die in de kolonie een nagenoeg volkomen
stilstand van uit- en invoer brachten.
Neemt men in aanmerking, dat dit en opvolgende octrooien
meer dan een eeuw in stand zijn gebleven, dat zij, ook na den terug-
keer der bezittingen onder het beheer der algemeene Staten in
1792, steeds den grondslag van bestuur bleven uitmaken, en dat
gedurende dit lange tijdperk die Bezittingen een hooge mate van
welvaart hebben gekend, dan is het opmerkelijk, dat dit stelsel
niet is behouden, toen die bezittingen in 1816 onder het Neder-
landsch gezag werden teruggebracht, na gedurende den lang-
gerekten oorlog herhaaldelijk in vreemde handen te zijn geweest.
In een rapport van den voormaligen Raad van koophandel eri
kolonin van 9 Mei 1815, ten geleide strekkende van de toen ont-
worpen regeeringsreglementen, werd het Surinaamsch octrooi
van 1682 genoemd een stuk vol wijsheid en staatkundig door-
zigt en evenwel is men daarvan afgeweken, zonder de beweeg-
redenen te vermelden, waarom onder andere het vertegenwoor-
digend stelsel werd verlaten2).
Er werd wel bij K.B. van 14 September 1815, no. 58 in de
regeeringsreglementen vastgesteld, dat in iedere kolonie een hof
van politie zou bestaan, doch zonder medewerking der ingezete-
nen. De leden werden voor de eerste maal door den gouverneur


TUSSCHEN SURINAME EN CURASAO VOOR HONDERD JAREN 165
20 November 1833 no. 85 werden drie nieuwe regeerings-
reglementen voor de kolonin Curasao en onderhoorige eilanden,
St. Eustatius en Saba, alsmede voor St. Martin vastgesteld, ter-
wijl dat door geheel West-Indi van kracht bleef.
In Suriname schafte Van den Bosch het Hof van Politie en
Crimineele Justitie af (publicatie 24 Juli 1828, G. B. no. 3) en
stelde hij naast een door den koning te benoemen gouvemeur-
generaal een Hooge Raad der West-Indische Bezittingen in, vrij
van eiken volksinvloed7). Deze Hooge Raad bestond uit vier
hoofdambtenaren, t.w. den Procureur-Generaal, den Controleur
van Financin, den Raad Commissaris der Inlandsche bevolking
en den Raad Commissaris van s-Rijks Domeinen. De gouverne-
ments-secretaris werd secretaris van dien Raad. De uitvoerende
macht was thans geheel in handen van den gouverneur-generaal
met bijna onbegrensde bevoegdheid. Het recht van vertegenwoor-
diging, bij het octrooi van 1682 toegestaan en gewaarborgd, had
nu geheel opgehouden te bestaan.
Tevens werden drie gemeentebesturen ingesteld, een van
Paramaribo, een van het eiland Curafao en een van St. Eustatius
en Saba. Dit onpractische instituut bleef niet lang gehandhaafd
en werd in 1832 afgeschaft bij K.B. van 9 Augustus no. 89 (G.B.
no. 13) en 3 December afgekondigd. Den G.G. werd een Koloni-
alen Raad toegevoegd inplaats van een Hoogen Raad. Uit de
leden van den Kolonialen Raad werden de Heemraden gekozen.
Deze bestuursregeling, eene betreurenswaardige schepping
genoemd, was de heerschappij der Plantocratie.
Immers zes van de leden waren aanzienlijke ingezetenen,, ,zijn-
de gedeeltelijk grondeigenaren, in de kolonie woonachtig en
gedeeltelijk vertegenwoordigers van afwezige grondbezitters.
Aangezien de meeste plantage-eigenaren de kolonie verlieten en
betaalde agenten aldaar aanstelden, werd de koloniale raad een
lichaam van betaalde agenten. Zelden is gedurende het bestaan
van dien raad een plantage-eigenaar in de kolonie woonachtig tot
een zetel beroepen.
In den loop der jaren bleek het echter, dat de door den com-
missaris-generaal voorgespiegelde verwachtingen niet verwezen-
lijkt werden. De minister van kolonin J. C. Baud noodigde bij
brief van 25 Juli 1843 den gouverneur-generaal Elias uit om te
dienen, van consideratien en advies nopens de vraag of, Haqr
het Hoofddoel der vereeniging van de gezamenlijke Nederland-
sche West-Indische Bezittingen onder den te Paramaribo resi-
derenden Gouverneur-Generaal niet is bereikt, er noodzakelijk-


i66
DE ADMINISTRATIEVE AFSCHEIDING
heid bestaat, om die vereeniging alsnog te doen voortduren, en
zoo niet, of d eilandjes St. Eustatius en St. Martin bij een
scheiding onder het oppertoezigt van Cura9ao dan wel in onmid-
dellijke betrekking tot het Moederland geplaatst zouden be-
hooren te worden8).
De gouverneur-generaal aan dit verzoek voldoende, antwoord-
de op 2 October 1843: Het is, zooals Uwe Excellentie teregt
aanmerkt, voldingend bewezen, dat Suriname verre van de
West-Indische Eilanden te kunnen tegemoet komen, zelve een
subsidie van het moederland noodig heeft, en dit ook metterdaad
reeds heeft genoten. Even zeker is het, dat in den regel de gevol-
gen van eenen maatregel behooren op te houden zoodra het blijk
dat ht doel daarvan niet bereikt is of onbereikbaar wordt. Maar
tot grondige behandeling van het onderwerp stel ik drie andere
vraagpunten voor, waarvan de beantwoording mijn gevoelen
dienaangaande volledig zal doen uitkomen, iste Is het subsidi-
eeren der Wesl^Indische eilanden door Suriname het eenige doel
derwreeniging geweest ? 2de Zijn uit die vereeniging zoodanige
moeilijkheden ontstaan, dat de wederafscheiding wenschelijk is:
en 3de Zijn er sedert die vereeniging andere banden ontstaan,
welker losrukking met zwarigheden gepaard zou gaan ?9)
Wij zullen het antwoord op die vragen hier niet behandelen,
maar vermelden, dat voornoemde brief van den G.G. denzgsten
November aan den gezaghebber van Curafao Van Radcrs ge-
zonden werd, die juist met verlof in Nederland vertoefde. Deze
antwoordde daarop den dag daarna onder meer: te blijven aan-
raden de kolonie Cura9ao en onderhoorige eilanden van het
tusschenbestuur van Suriname eens en voor altoos teontslaan10).
In weerwil der vereeniging was de handel tusschen Suriname
en Cura9ao zoo weinig toegenomen, dat die in het jaar 1843 niet
anders dan met twee vaartuigen werd gedreven, waarvan het eene
in dat jaar drie en het andere slechts eenmaal de reis gedaan had.
De hoop, dat de Westindische bezittingen lkander zouden kun-
nen ondersteunen en hierdoor alle geldelijke subsidies van het
moederland een einde nemen, is ook weinig meer dan een hersen-
schim geweest2). De regeering achtte het om al die redenen
noodzakelijk terug te komen op den in 1828 genomen maatregel
en zoo vond niet alleen verbreking van den 17 jaren geleden ge-
legden band tusschen Suriname en de eilanden plaats, maar voor
de eerste maal de vereeniging van alle eilanden onder n gou-
verneur.


TUSSCHEN SURINAME EN CURASAO VOOR HONDERD JAREN 167
Een nieuwe verdeeling had in 1854 plaats, waarbij:
A. de kolonie Suriname onder het bestuur van een gouverneur
werd geplaatst,
B. het eiland Cura9ao met de eilanden Bonaire, Aruba, St. Mar-
tin (Ned. gedeelte), St. Eustatius, Saba, als onderhoorige eilanden
onder het bestuur van een gouverneur en vijf aan dezen onder-
geschikte gezaghebbers werd gebracht.
Het K.B. van 9 April 1845 no. 8, dat de scheiding uitsprak
werd ri Juli op Cura9ao uitgevaardigd (publicatie no. 5)1 2 5 6 7 8 11).
Het K.B. van 15 Juli 1845 bepaalde, dat de scheiding 1 Augus-
tus van dat jaar zou ingaan, doch de aftredende G. G. Elias
deed die scheiding reeds 16 Juli een aanvang nemen. Dit K.B.
is dan ook noch te vinden in het G.B., noch is het opgenomen
onder de negental notificaties en publicaties in 1845 voor Cura-
9ao afgekondigd. Een afschrift ervan berust op het departement
van kolonin12).
Kwam reeds bij K.B. van 14 Mei 1845 no. 43 (G.B. no. 11)
voor Suriname in verband met de afscheiding een aanvulling en
wijziging van het regeeringsreglement tot stand, Cura9ao heeft
langer op aanpassing aan den nieuwen staatsreehtelijken toestand
moeten wachten en wel tot 1848, toen bij K.B. van 27 Januari no.
5 (P.B. no. 2) een geheel nieuw regeeringsreglement tot'stand
kwam.
En zoo gingen beide gebiedsdeelen Suriname en Cura9ao een
eeuw geleden ieder hun eigen weg, tot op onze dagen.
Fred. Oudschans Dentz
1) De spelling van dit eiland was toen ter tijde St. Martin, echter
sedert 1936 St. Maarten.
2) Memorie van Toelichting, no. 3, bij de vaststelling van het Regle-
ment op het beleid der regering in de Nederlandsche West-Indische
kolonin en bezittingen. Zitting 1855-1856 (XC), blz 3.
*) Encyclopaedic van Ned. West-Indi, blz 121.
*) Onstaan en ontwikkeling zan het Staatsrecht van Curasao, door
mr dr H. W. C. Bordewijk, 1911, blz 41.
5) Alsvoren, blz 41.
6) Alsv. blz 43.
7) Encycl. van N. W. I., blz jat.
8) Bordewijk, blz 51.
*) Alsv. blz 5a. ^
M) Alsv. SS-
u) Alsv." blz 57.
la) Alsv blz. 58.


KLOKKEN IN DEN MIST
30 October 1945
Altijd is hier het gerucht der klokken om mij. Hmony. En de
anderen. Altijd zingen de torens. Hendrick de Keyser. Jacob
van Campen. En al de anderen. Onbeschrijfelijk Amsterdam. De
torens zingen. De klokken roepen. Roepen elkaar aan. Roepen
over de steeds jachtige bedoening des gehaasten dagelijkschen
levens heen elkaar aan. Als goede waakzame schildwachten.
Roepen en antwoorden. Antwoorden elkaar in de vragende stilte
der nachtelijke uren waarin de stad even maar wie weet
precies te zeggen van waifneer tot wanneer ? uitrust van haar
ijdelheden die ons leven uitmaken. Dit eene leven. Dit onher-
roepelijke leven. Het oprechte brons van hun stemmen i's zonder
hoogmoed en verachting. Ook zonder dien verfijnden hoogmoed
die den valen schimmel eener moede scepsis over de menschen en
de dingen legt. De klokken zijn goed, bij dag en bij nacht, in
regen en zonneschijn. Ijdelheid der ijdelheden, het is al ijdel-
heid. Die dit gezegd heeft was geen scepticus, maar een mensch
die opeens, midden in ht menschengewoel der Kalverstraat, de
stemmen had vernomen, stilstond, luisterde. En, toen ze weer
eens uitgezongen waren, verder ging. Getroost verder ging in zijn
ijdelen, maar eenen en onherroepelijken loop. Want de klokken
zingen den lof van het leven, het goede, het schrikkelijke. Dat
van God is. De klokken immers zijn van God. Toen anno 43 de
klokken beneden naast den toren van Oudeschoot lagen om ge-
haald te worden, en de opgeschoten dorpsjongens er niet bij weg
te slaan waren, stond den anderen morgen op een klok geschre-
ven: Hij die met Gods klokken schiet, wint den oorlog zeker
niet. Zoo was het. Als de klokken moeten zwijgen en de getuigen
ontrouw worden, bereidt God zich zijn lof door profeten die
hij verwekt uit onmondige, slungelachtige dorpsjongens.
Hoe goed is het om nu door het duister van den herfstavond
langs de grachten te gaan naar de Nieuwe Kerk, terwijl het breed
gerucht der klokken weer rondom mij is. De gracht die ik passeer
is een blinkend zwarte Acheron die verdwijnt in de onderwereld
van den grooten nacht. Maar de lantaarns zijn weer op; in de
verte, op een hoek, werpt er n een vreemd en groot schijnsel
langs de huizen en over het water. Kozakkenvuur.
Ach ja, de kozakken. Dat was in 1813. En nu schrijven we 1946
en ik ben op weg naar den Bidstond die gehouden zal worden aan


KLOKKEN IN DEN MIST
169
den vooravond van het bijeenkomen der nieuwe, grootere, Syno-
de. Maar nog staan hier de oude huizen die er toen ook al stonden.
Opeens moet ik denken aan Willem de Clercq, die nobelste figuur
van het heele Rveil. 1813. Hij was toen nog heel jong. Maar hield
al zijn dagboek bij, dit kostelijk document intime onzer negentien-
de eeuw. Dezer dagen viel het me weer in handen en ik heb me er
dadelijk weer in vast gelezen. Hoe was het ook weer ? Wat staat
daar onder dat jaartal 1813 ? Hij is' in die dagen riet op reis ge-
weest in de provincie. En zit vol met plannen. ,,... si Dieu me
laisse la vie, Pempereur la libert, et la fortune de 1argent. Kijk,
kijk, welk een bedaarde en voorzichtige jongeling, anno 1813.
Hoe zou ik dat nu moeten zeggen, in 1945, terwijl ik langs deze
donkere gracht loop naar de Nieuwe Kerk ? Die booze man met
dat snorretje is weg en ik leef nog, dat zal hij bedoeld hebben
met libert. En wat de Fortuin aangaat, die heet tegenwoordig
Lieftinck. En wat ik aan klinkende munt het argent van
den jongen Willem meedraag in mijn zak is waarlijk niet veel.
Zoodat ik me al heb verwonderd over sommige prijzen in de win-
kels en over smmige menschen voor wie niettemin deze prijzen
nog steeds geen bezwaar schijnen te zijn, wat ze voor mij wel zijn.
Hopelijk heeft de Fortuin, toen ze haar zaak overdeed aan 'Lief-
tinck, hem toen niet ook meteen iets van haar spreekwoordelijke
blindheid aangepoot. Maar van alles heb ik het minst vree met
dien bedaarden Dieu van 1813. Evenmin als trouwens De
Clercq zelf, later.
Maar er gebeurt iets in dat j aar 1813 dat alle plannetjes omver
werpt. Onder 1 November staater dan: Beaucoup de bruits mme
assez constats qui paraissent nous annoncer la dfaite des Fran-
9ais et 1espoir (si cen est un) de changer de maitres oupeut-tre
de tyrans. Ziedaar de knaap, ik heb je. Dat zinnetje tusschen
haakjes en dat changeeren, als van het dcor in den schouwburg;
Zoo dacht jij er dus over in 1813.? En toch was jij een goed
Nederlander toen, zooals dat heden ten dage heet. Maar waar
waren toen de verkeerden ? Of waren jullie allemaal goed ? En
allemaal verkeerd meteen ? In elk geval, als de P.O.D. er destijds
was geweest en je gesnapt had op deze eene kleine passage uit je
dagboek, dan had je tevergeefs gehengeld naar dat baantje waar
je later zoo hard achteraan liep, beste Willem.
Toch wordt hij een paar bladzijden verder wat enthousiaster.
12 November: Ce ne sont plus les jours mais mme les heures
qui deviennent intressantes... En nu moet ik waarlijk even
mijn tred inhouden aan deze stille en donkere gracht in het
Amsterdam van het jaar onzes Heeren 1945, om eens even goed


\
I70 KLOKKEN IN DEN MIST
uit te lachen. Mme les heures qui deviennent intressantes...
Nee, jonge Willem, hoe ontzaglijk interessant het leven kan zijn,
daar heb jij toch geen weet van gehad anno 1813. Ik weet alleen
niet recht of dat woord interessant hier wel heelemaal op zn
plaats is, dat immers ook thuis hoort bij het changeeren en dat
heele schouwburggedoe. De uren? Hoe bedaard. Zeg liever:
de seconden. Want daar zaten er dan een paar bijeen in een cel,
het groote licht van deze blauwe lente kroop langs het matglas,
achter de tralies en tenslotte konden ze het niet meer uithoudn
en n hunner klauterde omhoog, nam den stok voor de verduis-
tering die een ander hem aanreikte en sloeg een ruitje kapot, keek
naar buiten. Toen leek het zwijgen een eeuwigheid te duren,
terwijl de anderen omhoog zagen op de witte knokkels der handen
van hun kameraad die zich moeizaam vasthield aan de bovenste
plint. Toen n: Zie je wat ? En na weer een kleine eeuwigheid
het antwoord, schor en onwezenlijk: Ik zie een toren en op
die toren staat een vlag de driekleur... En dan stappen,
zware stappen van laarzen die voor de celdeur halt houden. De
seconden, Willem, de seconden. Hoe interessant niet waar ?
Zeven uur in den avond. En meteen is de lucht weer vol van
het gezang der torens. Ik hoef me niet te haasten, ik heb een kaart.
Vanmiddag heb ik een wandeling gemaakt door de Jodenbuurt
van Amsterdam. Want ik ben een provinciaal en gedraag me ook
bewust als zoodanig wanneer ik in de groote stad ben. Ik moet
wat zien om ginds wat te kunnen vertellen. Toen ik jaren geleden
in, Itali was, reikte het reisgeld net niet toe om nog even Pompeji
te zien. Dat is me dus voorbij gegaan, voorgoed waarschijnlijk
want sinds heet de Fortuin immers Lieftinck. Maar het is niet
erg, ik heb vanmiddag Pompeji gezien. Hier in Amsterdam.
Alleen zonder die aangename patina der eeuwen, zonder de
vlugge glinsterende hagedisjes tusschen de runes, zonder de
gouden roos der zuidelijke zon. Ik heb gezien: doode huizen met
blinde, gebroken oogen. Verlaten. Voorgoed, onherroepelijk ver-
laten. Ik heb gezien: het skelet van dien vroeger zoo roezigen
bijenkorf waar al die pientere, slavende en slovende, luidruchtige
en mazzelende Joodjes in en uit fladderden. Voor hen geen we-
derkeer. Hoe was dat ook weer in 1813 ? Le quartier des
Juifs etait en pleine insurrection. Chacun portait des rubans
couleur dorange, quon y vendait en masse. On avait forc la
maison de correction. On en avait retir un Juif condamn lors
des derniers troubles, le Juif etait promen partout vtu dorange
de la tte aux pieds... Hier dus geen bedaarde Dieu, o
neen; hier althans de vroolijke neerslag van den lof van den


KLOKKEN IN DEN MIST
I7I
Levende; hier' in het ghetto, dat de dankbaarheid niet vergeet
maar wakker houdt van geslacht op geslacht, met veel jiddische
sch-klanken overgefluisterd van ouder op kind, de dankbaarheid
die zich dan breed en barok maar straalt in zulk een barok ook
niet de donkergouden naam van Rembrandt ? tooit met de
kleur van den geprezen dag van heden: Oranje. O mijn God,
nu ik aan dat heerlijke dwaze Joodje denk uit de Clercqs dagboek,
dat Joodje dat zich van top tot teen in oranje gestoken had en zoo
de straat is opgegaan, ik die hier langs de zwarte grachten van
het oude Amsterdam naar den Bidstond ga mijn God, geef dat
daar straks in die kerk niets van glimlachende zelfverheffing en
stompe voldoening over dit moment in de atmosfeer zal han-
gen; mijn God, Gij die in den heml woont en nochtans geen
,,Dieu zijjt, maar tot ons gekomen in het ghetto van een stal
en in dezen tabernakel van dit arme vertrapte vleesch Gij
alleen, weet hoezeer wij allen zijn tekort geschoten en hoe wij
allen, allen, minder deden dan wij als onnutte dienstknechten
hadden behooren te doen; Gij alleen zijt het immers die ons oor-
deelt door dit uitbundige Joodje dat ditmaal, anno 1945, niet
rondsprong door de straten omdat het er niet meer was ...
Als ik over den Dam ga zie ik het licht kleurig breken door
het glas van het groote raam. Dan sta ik in de queue op het trot-
toir en voeg me met de wachtende schare naar de regelende ge-
baren van de agenten die het druk hebben. En constateer, niet
zonder eenige opluchting, dat dit sinds Mei de eerste queue is,
die ik meemaak, waarin niet geduwd en gedrongen wordt. Op
den Dam staan, achter prikkeldraad, vliegtuigen. Deel eener ten-
toonstelling Vleugels der Overwinning. Smaakt wat Engelsch,
natuurlijk vertaald van ,,Wings of Victory; alles heeft een bij-
smaak tegenwoordig, het eten, de sigaretten, en de taal ook. Dan
zegt iemand voor me: Het is al half acht, ik heb het daareven
gehoord. Maar ik antwoord hem: Pardon, u vergist u, dat was
pas kwart na zeven wat de klokken sloegen. Blijkbaar is hij ook
een provinciaal want van heinde en ver uit alle streken van
Nederland is dit kerkvolk gekomen en denkt te gering van het
breed gerucht der klokken hier, die zelfs op het kwartier him
volle pond geven. Langzaam schuifelen we nu verder, het portiek
door, de kerk in. De kerk, die vol licht en glans is. Ik draai me
even om naar het groote raam. Ach ja, floodlight wordt er van
binnenuit tegen het glas geworpen, dat geeft dat Anton Pieck-
achtige effect als men over den Dam nadert. Het is niet onver-
deeld, dat effect en zijn smaak. Ik zie dat er vorsten in het glas
staan. Ik wenschte wel dat er heiligen in stonden ...


*72
KLOKKEN IN DEN MIST
Maar ook zie ik dat de onderste rij van het glas gebroken is,
weg; dat moet op dien dag zijn gebeurd toen de bevrijding er al
was en toch nog net niet was, en die anderen voor de laatste maal
hun eerste en laatste argument gebruikten op den Dam. En
schoten. .. Het lood, het domste argument dat er is. Dit was
dan de laatste maal.
Ik schuif door de rijen volks die al gezeten zijn. Plotseling zie
ik een gezicht. Het gezicht antwoordt in herkenning. Dan wenkt
de collega me naast zich, daar is nog een plaats vrij. Dat is ruim
vier jaar, geleden dat we elkaar zagen; het was in de bosschen bij
Doorn en het was in die aangelegenheid die ons sindsdien niet
meer losliet, die aHeen steeds moeilijker en bitterder werd. ,,Hoe
gaat het ? Hij vraagt het, maar er is een ondertoon van diepe
bevrediging in zijn vraag: Je bent er, dus gaat het goed, hoe dan
ook. En ik kan volstaan met te antwoorden: ,,We leven nog.
Hij knikt. Ja, dat is het.
Vol licht en vol menschen is de kerk. En steeds meer menschen
stroomen naar binnen. Maar er is in de atmosfeer geen spoor te
bekennen van die zwoelheid die zoo menigmaal ongemerkt bin-
nensluipt waar veel menschen bijeen zijn om een geestelijke zaak.
Eerder kan men constateeren: een zakelijkheid op de gezichten;
zakelijkheid ook ademt het ijle fludum dat lichtglans en gewelven-
opvaart hier samen weven. Maar dan toch een zeer bepaalde
zakelijkheid. Apostolische zakelijkheid. En de Heilige Geest gaat
rond door de paden tusschen de stoelen en banken. De Heilige
Geest heeft een jacquet aan en op dat kleedingstuk draagt hij
een zwierig gestrikt liht, sober distinctief van zijn ambt. Hij doet
wat zijn zaak is: Hij wijst de plaatsen aan, Hij schept de orde in
de Kerk. Hij is een Persoon en geen ongrijpbare spiritualiteit. En
sinds zijn komen eens, in vuurtong, wind en vreemde talen, wordt
hij herkend in de verborgenheid waarin hij rondgaat om zich
te laten vinden, door allen die simpel genoeg zijn geworden om
eerbied te kunnen hebben voor een zwart jacquet met een wit
lint op het revers. Door allen die bereid zijn geworden om zich
hun plaats te laten aanwijzen, opdat de Dienst eindelijk zal
kunnen aanvangen.
Mijn vingers voelen het papier op mijn knie: de liturgie, die
aan den ingang werd uitgereikt. En zelfs dit klopt, het is goed
oud-hollandsch met een watermerk er in en ook de typografie
kan er mee door. Het dtail is altijd de proef op de som. Ditmaal
klopt de som, als ik het wel heb.
Het groote orgel preludeert recht tegenover me, machtig.
Links neemt nu de burgemeester met begeleiding zijn plaats in.


l,. OU 5ii -7 ^
TUSSCHEN SURINAME EN CURASAO VOOR HONDERD JAREN 163
alleen benoemd, en vervolgens uit voordrachten van drie candi-
date^ door het hof zelf aangeboden.
De territoriale verdeeling der West-Indische kolonin en be-
zittingen bij voornoemd K.B. van 1815 was volgt:
A. de kolonie Suriname, bestuurd door een gouverneur-generaal,
B. het eiland Cura?ao en onderhoorigheden (Bonaire en Aruba)
bestuurd door een gouverneur en twee commandeurs.
C. het eiland St. Estatius en onderhoorigheden (St. Martin,
Ned. gedeelte en Saba) bestuurd door een gouverneur en twee
commandeurs.
De oppermacht over de kolonie berustte onder de van kracht
zijnde constitutie in het moederland ,,bij aansluiting aan de
Kroon, zonder eenige medewerking van de wetgevende macht.
In werkelijkheid werd de kolonie geregeerd en bestuurd van het
moederland uit, waar het beleid van zaken tot 1834 in handen
was van het departement van koophandel en kolonin en later
in dat van het departement van kolonin.
De economische toestand van Suriname werd echter steeds
slechter, het handelscrediet was zwaar getroffen, er bestond ge-
brek aan geld, de landbouw kwijnde, onderwijs en armwezen
bevonden zich in treurigen toestand, het lot der slaven was diep
ellendig3).
Tengevolge van bestaande klachten zond de koning bij K.B.
van 18 October 1827 generaal-majoor graaf Van den Bosch als
commissaris-generaal naar de West met dezelfde bevoegdheden
als de koning bekleed, ten einde ter plaatse een volledig onderzoek
in te stellen en de noodige maatregelen ter verbetering daarvan
te nemen1).
Begin 1828 kwam hij in Suriname aan. In artikel 2 van zijn
instructie had Zijne Majesteit in overweging gegeven de ver-
schillende Hoofd Besturen der onderscheidene Colonin te ver-
eenigen tot een eenig Hoofdbestuur in Suriname te vestigen, on-
der eenen Gouverneur-Generaal, bijaldien de in en uitwendige-
gesteldheden der Colonin dit zonder merkelijk bezwaar toelieten N
en er gewenschte gevolgen van te verwachten zouden zijn4).
Uit zijn verslag van 31 Maart 1829 bleek het, dat Van den
Bosch met s-konings denkbeelden accoord ging. Een vereeniging
van de drie kolonin achtte hij
iste in het belang der ingezetenen der kolonin in het algemeen,
omdat deze gebragt onder eene centrale administratie, daarin
eenen zekeren waarborg vinden zoowel voor eene eenparige be-
handeling volgens dezelfde administratieve verordeningen, als
ook voor eene gelij kmatige Joegassing van ;de in die Colonin
.6
? CBITRALS &>EKEJ?!J

Af
$ T r.


DE ADMINISTRATIEVE AFSCHEDING
164
algemeen geldende wetten en eene spoedige afdoening van zaken,
2de in het belang van elke kolonie afzonderlijk, daar toch als
een gevolg van die vereeniging de behoeften uit eene gemeen-
schappelijke kas bestreden wordende de meer vermogende Colo-
nie de min vermogende, des vereischt ondersteunen kan, en er
zoodoende altoos middelen ter beschikking blijven om kwijnende
takken van welvaart op te beuren en aan te moedigen,
3de in het belang van het moederland, daar door dit middel
alleen, de mogelijkheid-ontstaan kan, om de West-Indische Be-
zittingen zoo dan al geene onmiddellijke voordeelen voor het
Moederland te doen afwerpen, ten minste in hare eigene be-
hoeften te doen voorzien, zoodat dezelve in gewone omstandig-
heden en voor' gewone benoodigdheden geenerlei subsidie meer
zullen behoeven weshalve dan ook alle trekkingen op het Gou-
vernement in Europa hebben opgehouden.
Het optimisme van Van den Bosch ging zoo ver, dat hij meende,
dat de landbouw van Suriname en de handel der eilanden aan
elkander dienstbaar gemaakt (zouden) worden, om die beide
bronnen van welvaart ruimer te doen vloeyen6).
Bij besluit van 19 Juli 1828 no. 222 (G.B. no. 3) stelde Van
den Bosch een Reglement op het beleid der Regeering van de
Nederlandsche West-Indische Bezittingen vast, waarbij alle
Westindische kolonin onder n gouverneur generaal wer-
den vereenigd, die zijn zetel in Suriname had, terwijl de eilanden
en onderhoorigheden door gezaghebbers bestuurd werden. De
bestaande afzonderlijke administratie bleef gehandhaafd. Alleen
werden de gouverneurs van Cura9ao en St. Eustatius aan den
gouvemeur-generaal te Paramaribo ondergeschikt. Suriname
werd zoo al niet rechtens, dan toch feitelijk de hoofdkolonie5). De
titel van den gouverneur van Curafao en onderhoorige eilanden
werd in directeur, die van St. Eustatius en Saba in gezaghebber
veranderd. Ook de sedert 1815 bestaande titel van Commandeur
van St. Martin werd in dien van gezaghebber gewijzigd.
Van den Bosch stelde den 7den Februari 1828 een nieuw
regeeringsreglement voor Cura9ao en onderhoorige eilanden vast,
dat 1 Maart van dat jaar in werking trad en waarbij hij vooruit
liep op het algemeen regeeringsreglement voor de geheele West,
dat eerst eenige maanden later tot stand kwam6).
Het regeeringsreglement voor St. Eustatius en Saba stelde
Van den Bosch p 28 Juli 1828 vast. Krachtens besluit van den
commissaris-generaal van 28 Maart 1828 werd St. Martin van
St. Eustatius afgescheiden en rechtstreeks aan het algemeen
bestuur te Paramaribo ondergeschikt gemaakt. Bij K.B. van


w
KLOKKEN tN DEN MIST 1J$
Hier en daar ontdek ik een bekend gezicht. Ook enkele gezichten
van menschen van wie ik toevallig weet dat ze vroeger vroe-
ger beteekent tegenwoordig meestal: voor 40 hier niet
plachten te verschijnen. En verbeeld ik het me ? maar neen
er is een glans op deze gezichten en de houding waarin ze op hun
plaats zitten is net een tikje nonchalanter dan van de anderen.
De glans en de houding van hen die van een verren omtrek ein-
delijk zijn thuis gekomen. Hun glorie is het, die de zoon die des
vaders huis niet had verlaten nimmer kon begrijpen. O gezegende
en geprezen jaren achter ons, bittere jaren, jaren toch der wonder-
lijke herkenning, o wegen der kerk.
18x6 en 1945. Hoeveel drempels liggen daartusschen ? Maar
de donkerste poort waar we doorheen moesten was die der vijf
jaren achter ons die toch ook eindelijk de doorbraak brachten
door wat ondoorbrekelijk sfcheen: den weerstand van het duren
der reglementaire organisatie.
1816. Geen kwade gedachte dezen avond aan Koning Willem
I die ginds ook in het glas van het groote venster staat die
de Kerk in de kluisters der reglementen liet slaan. Want nooit
kan de Kerk van buitenaf door den tijdgeest overmeesterd wor-
den, wanneer ze niet eerst van binnenuit zich reeds heeft laten
overrompelen. i8i6iseenjaartaldatnogin de schadhw van den
franschen tijd ligt, evenals nog vele, vele jaren nadien. Baden niet
alledomins van destijds braaf voor Napoleon? Eens werd er
eentje aangeklaagd alsdat ie t niet gedaan zou hebben; maar dat
kwam in orde het was vuige laster, rapporteerde de prefect
zelf in hoogst eigen persoon. Hoe anders was het ditmaal. Wie
niet voor de Koningin bad was suspect. En terecht. Ook al
trachtte een enkele lis teling dit manco met zwaarwichtig-klin-
kende wijsgeerige termen te rechtvaardigen; op de korte lijn die
de strijd van deze jaren noodzakelijk meebracht wist elkeen
nochtans waar Abraham de mosterd haalde: de vent is bang
of erger.
xSi. De regentale atmosfeer werd gecanoniseerd. Het kleine
bestuurslichaam der zoogenaamde Synode was met zijn negen-
tien leden ook de getrouw'e afschaduwing van het regentencollege
ten raadhuize. De verdraagzaamheid het verleugend affiche der
verlichte despotie. De soldaten in de pastorie van Ds de Cock te
Ulrum, enkele jaren later, 1834, verre satellieten van Metternichs
politiestaat. Maar allen, allen, waren bevangen door den tijdgeest.
Ook de enkelen die donderden tegen deh geest der Eeuw en
een geluid van protest lieten hooren tegen dit beschikken over de
Kerk zonder de Kerk. Ook Ds Molenaar in zijn Adres aan alle


i74
KLOKKEN IN DEN MIST
mijne Hervormde geloofsgenooten uit het jaar 1827: Ik vrage
aan elk eerlijk hart: is dit eerlijk... ? Is men van oordeel dat
onze kerk, dat onze Dortsche vaders gedwaald hebben ? Goed.
Maar waarom dan niet eene algemeene kerkvergadering belegd
en een bedaard en christelijk adres aan alle hervormden gericht,
om de leer te veranderen en dan gezien, wie dit nit verkozen,
de kerken en goederen eenvoudig en in groote bedaardheid ver-
deeld, en vrede en liefde langs dien weg bevorderd ? Want daar
is ze dan weer: de bedaardheid, ditmaal in orthodox gewaad. Hoe
vaak heeft ze daarna nog het waarachtige kerkelijke denken,
spreken en handelen verlamd ? Haar dogma werd al spoedig en
bleef dat tot voor kort: dat de Kerk rust noodig had, voor alles
rust. En de bedaarde eerlijkheid die het hier opneemt voor een
eenvoudige beslissing van voor of tegen Dordt is op haar wijze
even ver als de toenmalige liberale hoon tegen de vaderen ver-
wijderd van het inzi'cht dat een waarlijk kerkelijke beslissing niet
meer en niet minder tot inzet heeft: samen behouden worden
of samen verzinken. En als er nu gebeden zal worden in deze
ure in de Nieuwe Kerk op den Dam te Amsterdam, dan zal het
gebed ook moeten bevatten de bede om kracht te mogen ont-
vangen om de resten van deze bedaardheid, zoals zij zich ramp-
zalig heeft vastgezet in de gemeenten en in de groepeeringen als
een beschouwelijke balcongesteldheid, te lijf te kunnen gaan en te
vernietigen. Allereerst en allerlaatst te lijf gaan: in ons zelf, Want
dit is slechts het begin van een nieuw begin. Maar dat is het.
En dit is dan het oogenblik waarop het volk opstaat in de ban-
ken en van de stoelen. Acht uur. De nieuwe Synode komt
binnen en gaat door de paden om zich naar de zitplaatsen te be-
geven die voor den preekstoel zijn open gehouden.
De nieuwe Synode gaat voorbij. Togas. Gezichten. Grijze
hoofden. Jonge kuiven. Dominees zien U aan.Domineesgezichten.
Vergeestelijkte met verklaarde oogen die diep zijn als een stil
water. Blikken als priemen, gespitst in den jarenlangen strijd.
Edele gelaatstrekken, zooals dat heet. En monkey-brand.
Kleine mannetjes, dor en toch bewegelijk. Athletische gestalten.
Theologen van naam. Simpele zieleherders uit een klein dorp
overgekomen. Vijf en veertig mannen, uit elke Classis n, plus
n voor de Walen. De nieuwe Synode gaat voorbij.
Gravemeyer. Laat deze eene naam dan toch genoemd mogen
worden, zonder dat anderen daarmee tekort zij gedaan. Als hij
voorbij gaat zie ik hoe zijn toga breedgeplooid valt over die
enorme borstkas. Bijna had ik hardop gegrinnikt. Zoo ziet die
borstkas er dus uit met een toga er over heen. Op een middag in


I
I
KLOKKEN IN DEN MST 175
Gestel, anno 42, lag hij weer eens achter de boschjes te zonnen.
Ik lag er ook. En had gelegenheid om dien ruigen grijzen beer te
bewonderen die een zon-aanbidder leek, maar het niet was. Hij
lag heel stil, totdat hij opeens woedende klanken van zich liet.
Krkelijke klanken. En ik herinner me hoe ik in den lach schoot
vanwege zulk een situatie: een zonnebader met vlak achter zich
het prikkeldraad waar de schildwacht zweetend in zijn tuniek
langs heen en weer liep, en die zonnebader die zoo geheel en
voortdurend n was met de taak die hij zich zag gesteld, dat hij
zelfs tusschen zon en dood het niet kon laten om het kerkelijk
gesprek met zichzelf verder te voeren.
Gravemeyer, dien sommigen voor den duivel houden. En dien
anderen vleien. Men moet dat laatste vooral piet doen: een ruigen
beer te vleien is onbehoorlijk. En wat die duivelsche reputatie be-
treft: hij heeft die faam gemeen met wijlen Paganini den violist,
en de zaak is veel eenvoudiger en beter dan ze op een afstand
soms lijkt. Ik heb dat ook moeten leeren. Van Paganini wordt
verteld dat op een avond, toen hij stond te concerteeiren, alle
snaren van zijn viool knapten behalve n. En dat er toen een
juffrouw voor in de zaal gichelde omdat ze, overigens begrijpe-
lijk, dacht dat het nu uit was met het stuk. Maar dat Paganini
toen, na een van zijn zoogezegd duivelsche blikken op haar te
hebben geworpen, doorspeelde op n snaar. Om die eene
snaar gaat het inzake Gravemeyer, den secretaris der Synode in
de jaren der doorbraak 1940 1945. Die eene snaar heet met een
term uit de dogmatiek iustificatio impii, de rechtvaardiging van
den goddelooze. Op die eene snaar liet hij, op den keper be-
schouwd, altijd alles aankomen. Onnoemelijk vele malen knapten
alle snaren en iedereen schoof zijn stoel al achteruit, denkende
dat verder spelen geen zin meer had en het gesprek der richtin-
gen weer eens was vastgeloopen maar deze eene snaar hield
het. Zij bepaalt de theologie, de prediking, het secretarisschap,
ja het heele wezen van deze persoonlijkheid.
Velen zeggen: dit is eenzijdig. Het is. Gravemeyer is een mono-
logiseerend mensch die steeds een klankbodem zoekt die altijd
verder ligt dan dengene dien hij toevallig tegenover zich heeft.
Hij zoekt: de Kerk, en zijn stem is er op uit de stem der Kerk te
wekken uit de verdooving van meer dan een eeuw. Dat is voor
dengene die in het gesprek zijn partner is vaak irritant, toegegeven,
maar zoo alleen weet hij, die naar men zegt geen echte dialoog
vermag te voeren, zijn eene doel altijd te onthouden: op gang te
brengen den dialoog der Kerk met zichzelve, die het kenmerk
is der lvende Kerk.


176
KLOKKEN IN DEN MIST
Gravemeyer gaat voorbij. Hij speelde het heele stuk ten einde
op deze eene snaar. Beter dan om van duivelswerk en derge-
lijke oncontroleerbare dingen te spreken of, vleiend onbillijk,
van de dynamiek eener persoonlijkheid, of, boosaardiger, van
het gebeten zijn door het hondje dat leidersprincipe heet
is het om zich af te vragen van welk een groote beteekenis deze
eene snaar dan toch wel is op het instrument van de kerkelijke
verkondiging der eeuwen, dat zij bij voortduring op de keerpun-
ten van den weg der Kerk de bijbelsche melodie weet vast te
houden en dan gehoor, algemeen gehoor, te verschaffen. Het is
de verdienste van Gravemeyer, dat hij het op die eene snaar liet
aankomen, het met haar alleen waagde zijn onwaardeerbare
verdienste. Die niet zijn verdienste is. En hij weet het. Zoo gaat
hij voorbij.
De nieuwe Synode gaat voorbij. Langzaam en plechtig. Met
die stille plechtigheid die als vanzelf de apostolische zakelijkheid
die hier heerscht met zich mede brengt. En toch gaat het nog
veel te vlug. Ik zie een glimp van de prachtig gesteven kragen der
Scandinavische afgevaardigden, een kleurig uitgeslagen toga,
militaire uniformen, togas weer. Kijk, tegen het einde van den
stoet een jong ventje die een gelegenheidsgezicht trekt en de neus
net iets te hoog in den wind steekt. Maar hier is geen wind, man-
neke. Hoogstens de Geest, en dat is iets anders, daar steekt
men zijn neus niet in, o neen. Het ventje gaat voorbij. De nieuwe
Synode gaat voorbij. Ook hij is: de nieuwe synode. En wat die
neus betreft: de bril van het Woord die iemand jou ook zal op-
zetten zal dien vanzelf wel doen dalen, manneke, zulke dingen
komen altijd vanzelf. En sans rancune: waarom zou er niet een
vader der Kerk in jou schuilen ? Schuilen ? Nee, dat schuilt niet
dat kmt, zooals het gekomen is: op den eersten Pinksterdag.
De nieuwe Synode gaat voorbij.
En dan staat er een man die zal voorgaan op den kansel. Hij
spreekt het votum. De klokken ruischen daarbuiten hoog boven
de kerk, de goede klokken van Amsterdam. Wat stond er ook
weer voor randschrift op die oude klok uit 1619 die in de toren
van mijn eerste gemeente hing? Er stond op: lek roep om
Godens woord te hooren, die niet komt die is verloren. Het
zit m niet in het naar de Kerk loopen. Nee. Maar: die niet komt
die is verloren. De klokken ruischen boven de hooge gewelven
der Nieuwe Kerk.
Wij zingen. Schriftlezing: Danil 9:4 7a, 17 19. Wij
zingen. Schuldbelijdenis. Wij zingen. Geloofsbelijdenis. Wij
zingen. Artikel 27 der Nederlandsche Geloofsbelijdenis uit het